Bekijk deze nieuwsbrief in de browser
 
logo

Kèk Efkes - jaargang 7 Nummer 45 - 15 januari 2025

Inhoudsopgave

1. Inhoudsopgave

2. Van de voorzitter

3. Actueel

4. Titelwedstrijd Kasterenboek

5. Bidprentjesverzameling Kèk Liemt

6. Weeskind in Liempde 1742

7. Velder en Liempde: Adriaan van Boeckel (1860-1909)

8. De God van het kind

9. Onderzoek Kasteren en Sint Janskapel

10.Archeokout

11.Winter ongeveer 55 (nu 79) jaar geleden

 

Van de voorzitter

Een nieuw jaar geeft nieuwe kansen.

Het nieuwe jaar is alweer ruim 2 weken oud, maar toch wil ik deze nieuwsbrief Kèk Efkes graag beginnen met iedereen het allerbeste en vooral een goede gezondheid toe te wensen voor het komende jaar en nog vele jaren daarna. 
Het bestuur heeft er inmiddels haar eerste vergadering opzitten. Het programma voor komend jaar is alweer bijna rond. Op 27 januari hebben we onze eerste lezing in D'n Liempdsen Herd. Zie voor meer info in de rubriek ACTUEEL van onze nieuwsbrief. 

Op bovenstaande foto is te zien dat de bouwploeg van SPPiLL het nieuwe jaar ook goed is begonnen.            De eerste bordjes op onze cultuurhistorische route zijn vervangen. Zoals het goede katholieken betaamt  hebben ze natuurlijk eerst de bordjes bij de kerk vernieuwd . Er zijn ook al een aantal oude bordjes verwijderd. Dus mocht je deze missen, niets aan de hand, dit hoort bij het vernieuwingsproces. 

Evenals vorig jaar nemen we ook dit jaar weer deel aan de Liempdse Boeremèrt op Tweede Paasdag met een boekenkraam. Als er nog leden zijn die interessante boeken in de aanbieding hebben, elk genre is welkom, dan houden we ons aanbevolen. Deze boeken kun je op woensdagmiddag tussen 14.00 en 16.00 uur inleveren in onze Erfgoedkamer. En natuurlijk ben je ook van harte welkom als je samen met ons op 21 april de kraam een dagdeel wilt bemensen. Meldt je dan aan bij onze secretarie info@kekliemt.nl o.v.v. deelname Boeremèrt.

Voor de leden die het jubileumboek nog niet hebben ontvangen, ligt er nog een boek te wachten in onze Erfgoedkamer. Schroom niet om dit op te halen. 

Harrie Raaimakers

 

Actueel

27 januari 19:30u Lezing: De wereldlijke- en kerkelijke Liempdse overheid 1974-2024.

Onze secretaris Arnold van den Broek gaat op deze eerste lezing van het nieuwe jaar in op de ontwikkelingen van de laatste 50 jaar van beide 'overheden'. Dit in het kader van 50 jaar Kèk Liemt dat afgelopen jaar werd gevierd. Arnold gaf al een kort voorproefje van deze lezing tijdens de presentatie van het Wind Wijzerboek van Gerard Schalks medio november j.l. in dienstencentrum De Kloosterhof. Maandag 27 januari a.s. is het een avondvullend programma in bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd. Aanvang 19.30 uur. D'n Herd gaat open vanaf 19.00 uur. De toegang is gratis.

Jubileumboek thuis overhandigd aan de eerste voorzitter van Stichting Kèk Liemt.

Op de voorlaatste dag van 2024 hebben de voorzitter van Stichting Kèk Liemt en de auteur van het jubileumboek '50 jaar Stichting Kèk Liemt' thuis bij oud voorzitter Roger van Laere het boekwerk overhandigd. Van Laere was er mee in zijn nopjes, bladerde het aandachtig door en memoreerde. "Ik ga er binnenkort eens goed voor zitten". Natuurlijk was het jammer dat het boek niet aan Van Laere kon worden overhandigd tijdens de feestelijke middag op 14 december j.l. Een bekend spreekwoord zegt daarover 'Gedane zaken nemen geen keer'.

Foto Arnold van den Broek: Roger van Laere pakt het jubileumboek uit, onder het toeziend oog van schrijfster Mariet van de Wiel-Quinten. 

Jubileumboek exclusief voor leden van onze Erfgoedvereniging Kèk Liemt.

Na de perspublikaties in de kranten hebben we al menig reactie gekregen met de vraag waar het boek te koop is en ook bij bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd kwamen bezoekers vragen of het boek te koop is. Dat is niet het geval. Deze unieke jubileumuitgave is expliciet bedoeld voor onze leden. Wat wel kan, althans zolang de voorraad strekt, dat nieuwe leden wel een boek krijgen. Dus heeft u in de familie- en of kennissenkring nog personen die het Liempdse erfgoed een warm hart toedragen, laat ze dan op onze website de aanvraag lidmaatschap invullen.

Morgen 16 januari: LEZING -> 'Heksenverhalen' in zaal Rembrandt - Rechterstraat 56 Boxtel. 

Als lid van onze Erfgoedvereniging hebt u hier al een tijdje geleden een bericht over gehad. Morgen is het zover. De lezing begint om 20.00 uur in zaal Rembrandt en de toegang is gratis. 

 

 

Titelwedstrijd Kasterenboek

Hierbij willen wij alle Kèk Liemt-leden uitnodigen om een pakkende titel te bedenken voor ons Kasterenboek. Het boek gaat over de volgende onderwerpen:

  • Het Kasterens landschap (leembossen, Dommel);
  • Kasteren in de Brabantse en Liempdse geschiedenis;
  • Kasteren in relatie tot de omgeving (van religie tot lokale heren, de Bodem van Elde en oorlogen);
  • Kasteren en het Duits lijntje (bouw en gebruik);
  • Kasterense wegen;
  • Belangrijke Kasterense families;
  • Kasterense watermolen;
  • Uitgebreide bespreking van elke Kasterense woonplek vanaf de middeleeuwen, inclusief de stambomen van een flink aantal Kasterense families.

De auteursgroep (Harrie Raaimakers, Els Vissers, Wilbert Steenbakkers; Désiré van Laarhoven en Ger van den Oetelaar) heeft al een eerste poging gedaan voor een titel, namelijk:

1) Kasteren, de dynamiek van een dominant (prominent) gehucht;

2) Kasteren, de dynamiek van een prominent (dominant) buurtschap

3) Kasteren, historisch centrum van Liempde.

De auteursgroep is van mening dat zeker nog een betere/meer pakkende titel mogelijk is. Daartoe worden via deze oproep de leden uitgenodigd.

De winnende titel wordt gekozen door de auteursgroep. De winnaar krijgt het boek cadeau en wordt natuurlijk in het boek over Kasteren vermeld. De titels kunnen gestuurd worden aan info@kekliemt.nl t.a.v. van de auteursgroep Kasterenboek. Titels kunnen tot 1 april 2025 toegestuurd worden.

 

Illustratie: Huwelijk van Sjef van den Boom en Wilhelmina Versantvoort (in het midden) met op de achtergrond de verdwenen boerderij Gemondesestraat 18 / Hoeve 'met het Schildeken'.

 

Bidprentjesverzameling Kèk Liemt

Kék Liemt heeft een uitgebreide bidprentjesverzameling. Na de oprichting van Stichting Kèk Liemt in 1974 startte in 1977 Janus Schalkx (1914-1979) met verzamelen. Na zijn dood nam Ger van den Oetelaar het in 1979 over. De verzameling startte met een collectie van circa 1700 bidprentjes die de Kinderen Van der Velden, de Kleuskes, verzameld hadden. Vanaf die tijd is de verzameling op vele manieren gegroeid, ondermeer door een grotere aanvulling van wijlen grafdelver Frans van Haaren (1930-2010.) Ook Wim Merkx is al jarenlang een steun en toeverlaat, hij weet als geen ander Liempdse prentjes op te duikelen en aan te leveren.

Alle prentjes zijn opgeborgen in speciale mappen. De alfabetische index met geboorte- en overlijdensdata van de nu 4586 Liempdse bidprentjes zijn via https://genealogievandenoetelaar.nl/prentjesLiempde.htm te raadplegen. Dit is een geweldig goede ondersteuning voor genealogen/stamboomonderzoekers. Immers vaak zijn deze gegevens niet op een andere manier beschikbaar. Zo zijn geboorten alleen van vóór 1925 op internet te bekijken. Vaak bevatten de bidprentjesteksten ook aanvullende gegevens. Daarbij gaat het niet alleen over geboorte- en sterftedata en de naam van de partner maar soms zijn de meer moderne teksten kleine biografieën.

Via opvragen en het aanleveren van scans worden de genealogen ook op dit moment al door Kèk Liemt geholpen. Toch heeft Kèk Liemt vorig jaar het plan opgevat om alle 4586 Liempdse bidprentjes te scannen zodat alle informatie van het bidprentje beschikbaar is. Via http://www.beeldbankliempde.nl/cgj-bin/bidprent.pl zijn ze te raadplegen. Nog niet alle bidprenten zijn gescand maar regelmatig worden er scans aan toegevoegd. Onze beeldbank wordt elke week completer door het werk van Betty van der Schoot, Ellen van Giersbergen en Els Vissers. Mochten er mensen zijn die  bidprentjes hebben dan zijn ze altijd welkom. We zijn te vinden op de zolder van het voormalige raadhuis van Liempde op woensdagmiddag van 14.00 tot 16.00 uur. Of op afspraak via info@kekliemt.nl. Op de erfgoedkamer worden de bidprentjes verwerkt, soms worden ze ingevoerd, soms worden andere erfgoedverenigingen geholpen en soms wordt er mee geruild om de bijna complete Liempdse verzameling nog completer te maken.

Ger van den Oetelaar

 

Weeskind in Liempde 1742

Foto, schilderij van Pieter Claesz. Soutman, Familie van Beresteijn

Weeskind in Liempde 1742

Het uitbesteden c.q. aanbesteden van een kind werd vroeger ook wel 'een kind bestellen' genoemd. Dat gebeurde met weeskinderen, vondelingen of kinderen die niet erkend werden. Deze werden dan tegen een bepaalde vergoeding elders ondergebracht. Dit gebeurde meestal door het bestuur van de armentafel, of tafel van de Heilige Geest van de betreffende gemeente. Zo gebeurde dat ook bij Maria Verrooten van Breugel. Zij was 40 jaar, gehuwd met Pieter Verrooten de Jonge en woonde in 1742 in Liempde. Haar huis stond ongeveer op de locatie achter Barrierweg 4 (D'n Liempdsen Herd) waar nu een schuur staat.

Op 9 april 1742 krijgt zij bezoek van ene zekere Gerrit. Hij is de knecht van pastoor Franciscus Leliveld in Helvoirt. Haar zus, Geertrui Marcus van Breugel is daar pastoorsmeid. Zij zijn de dochters van Marcus van Breugel, de vorster (veldwachter) van Liempde. Maria vraagt aan Gerrit of er iemand ziek is. “Wees maar gerust” zegt Gerrit, “er is geen kwaaiïgheid. Ze hebben mij gevraagd je te komen halen om mee naar Helvoirt te gaan. Ik geloof dat het om een kind gaat.” Maria gaat vervolgens naar Jan Teurlings die bij haar in de buurt woont. Gedrieën zijn ze daarna met zijn paard en wagen naar Helvoirt gereden. Daar aangekomen is haar zus Geertrui ook op de kar geklommen en zijn ze naar een door haar zus afgesproken plaats gegaan. Marie weet naar afloop niet waar ze zijn geweest. Op een gegeven moment komt er een heer met een jonge vrouw tegemoet gereden. Zonder iets te zeggen overhandigt de vrouw Maria een jong kindje van ongeveer 4 weken oud. Het is een jongetje. Vervolgens zegt die heer tegen haar: “ik kom van de week wel een keer langs.”  Zonder verder iets te zeggen vertrokken de heer en de jonge vrouw . Daarna is Maria met haar gezelschap terug naar de pastorie van Helvoirt gereden. Daar aangekomen zegt haar zus in het bijzijn van de pastoor: “Ben gerust, met het geld komt het wel goed.” Haar wordt ƒ 1.- per week beloofd voor het onderhoud van het kind. De volgende dag zijn ze tegen de middag weer terug in Liempde.

Bovenstaande is destijds opgetekend tijdens een verklaring van Maria en Jan Teulings die zij op 10 mei hebben afgelegd voor de vorster en de schepenen van Liempde. Hierbij verklaren ze ook dat de heer Christiaan Paulus van Beresteijn, want zo heette de betreffende heer, de vader van het kind is. Hij wordt in de wandelgangen ook wel 'Den Beer' genoemd. Wie de moeder is weten ze niet. Ook weten ze niet of het kind gedoopt is. Maria heeft het kind Thomas genoemd. Ook verklaart ze dat ze omtrent dit kind geen brieven heeft gehad en dat ze de heer die bij de overdracht was nooit meer gezien heeft. Wel heeft ze nog ƒ 3,- ontvangen van haar zus Geertrui.

Wie was heer Christiaan Paulus van Beresteijn?

Hij was een grootgrondbezitter en heer van Maurick -het kasteel in Vught.- Hij bezat verschillende huizen en windmolens en ook kasteel Ruwenberg in Sint Michielsgestel was van hem. Hij heeft tientallen processen van allerlei aard gevoerd tegen personen, bestuurders en ook tegen de Nederlandse Staat. Hij heeft op beide kastelen en ook in een huis in Den Bosch gewoond. Na een huwelijkse afkondiging van slechts drie weken is hij getrouwd met Catharina Wilhelmina Brule. Hij had toen al drie kinderen. Catharina was voor het huwelijk in verwachting van zijn vierde kind. Bij de huwelijksaankondiging is dit verzwegen. Hij heeft lange tijd geprocedeerd met de staat over de vraag of zijn huwelijk wel rechtsgeldig was. Het was een man die zijn boekje vaak te buiten ging. Toch is er maar eenmaal proces verbaal opgemaakt van zijn buitensporigheden. Dit betreft de mishandeling van de koetsier van zijn moeder, Cornelis Doncgersloot. Cornelis had een paar dagen tevoren voor de kamenierster van de moeder Van Beresteijn, Maria Pages, een briefje op de post gedaan. Ook had hij  toen een zalfje voor haar gehaald. De kamenierster had een hoofdwond die was veroorzaakt door Van Beresteijn. Omdat hij de kamenierster geholpen had heeft hij Cornelis aangevallen met een stok. Gelukkig kon Cornelis de slag afweren met de riek waar hij mee aan het werk was. Vervolgens sommeerde Van Beresteijn hem direct te vertrekken en liep weg. Cornelis dacht dat het hem geen ernst was en ging door met zijn werk. Even later, toen hij bezig was met opruimen, kwam Van Beresteijn terug. Hij had een stok of knuppel onder zijn rok verborgen waarmee hij plotseling uithaalde en Cornelis onverwachts op zijn hoofd sloeg. Deze viel bewusteloos neer. Vervolgens trapte Van Beresteijn hem op zijn kuiten en knieën. Cornelis had de hele nacht niet kunnen slapen van de pijn. Toen hij 's morgens wilde vertrekken bedreigde Van Beresteijn hem weer, maar een lakei verhinderde dat Cornelis weer geslagen werd.

De familie van Beresteijn heeft vanaf de 17de eeuw zeker 5 generaties de heerschappij over kasteel Maurick gehad.

Jan van de Sande

 

Velder en Liempde: Adriaan van Boeckel (1860-1909)

Adriaan van Boeckel, de zoon van Jan Francis van Boeckel (1853-1907) en de grootvader van Laura, Frans, Ruud en Vic van Boeckel, handelt onder andere in wijn en paarden. Hij zou ook aan Van Gend & Loos geleverd hebben. Het Velderse toponiem Manege duidt er mogelijk nog op dat er paarden van zoon Adriaan op Velder liepen. Voor wat betreft de wijn werkt hij soms samen met zijn neef Jacques Pernot (1833-1911), wijnhandelaar in Den Bosch. Ze leveren samen wijn aan klanten.

In tegenstelling tot zijn vader komt Adriaan nooit in de correspondentie voor als wijnhandelaar. Adriaan en zijn vrouw kopen, meestal via de firma F. van Lanschot uit ’s-Hertogenbosch, verder een breed scala aan waardepapieren, effecten, obligaties zowel binnenlandse als buitenlandse (onder andere Brazilië, Portugal, Spanje, Rusland en Oostenrijk.) In 1886 bezoekt hij de Landbouwtentoonstelling in Stratum waar veel paarden tentoongesteld worden. Mogelijk dat deze tentoonstelling hem inspireert tot een vergelijkbare Boxtelse tentoonstelling enkele jaren later.

Adriaan en zijn gezin zijn op vele fronten maatschappelijk actief. Hij is bestuurlijk betrokken en bezoekt in zijn woonplaats Oirschot in 1888 het Vasten-Concert van Harmonie Arti et Amicitae. Adriaan is mede-organisator van de Landbouwtentoonstelling in Boxtel. Deze wordt georganiseerd door de afdeling Boxtel van de Noordbrabantsche Maatschappij van Landbouw (de afdeling is opgericht in 1884) van 2 tot 5 september 1888. Adriaan, samen met wijnhandelaar en neef Jacques Pernot, regelt onder andere de wijn voor die tentoonstelling via leverancier HCR De Harmonie uit Maarssen. Adrianus van Boeckel spreekt (tussen 1885 en 1890) als bestuurder de jubilarissen toe tijdens het 40-jarig bestaan van muziekgezelschap Amicitia. Ook is Adriaan van 1888 tot 1909 beschermheer van Fanfare Concordia uit Liempde. Eerder was hij hiervan van 1881 tot 1888 president. Hij is tevens beschermheer van het Liempdse gezelschap La Récréation. Vanaf 23 maart 1895 is Adriaan van Boeckel raadslid en 3 weken later op 16 april krijgt hij een serenade van Fanfare Concordia op Velder.

 Ger van den Oetelaar

 

De God van het kind

De eerste twee stukjes die ik voor Kèk Efkes schreef, waren gewijd aan een gedicht. Dat is alweer een jaar geleden. Tijd voor opnieuw een gedicht.

De God van het kind

onder geknaag van lege maag, plechtstatig

spreken, val van haarroos over kraag

dachten we aan dingen die te wachten lagen

haktol, zakmes, vlieger en meccanodoos

 

we stegen hemelwaarts aan klokkentouwen

luisterden naar zang van grote zangers die de maat

niet konden houden, gingen stoet van hoeden voor

naar gat in aarde, dwarrelende kauwen rond de toren

 

dit was Zijn huis, wierook Zijn geur, behoedzaam

werd gehoest, zand kraakte onder wrevelige zolen

een munt werd opgeheven. ‘Zijn lichaam, dit brood,

door Hem zijn wij gered, genezen van de dood’

 

als alles was gedaan, hing stilte tegen de gewelven

we openden een deur in het portaal

en vonden na beklimming van veel treden

de heilige geest als melkwit ei op takjes in de toren

 

de tijd vloog hier als galm de gaten uit

we moesten schreeuwen om nog iemand te bereiken

de klokkenslagen van het hele uur sloegen ons doof

huiverend zochten we houvast in hevig waaien

 

in wolkenschachten gloeide licht, het viel op plekken

die we kenden, waar het zand ons droeg

ontdaan en uitgehold daalden we wenteltrappen af

op weg naar geur van brood en spek, drogende was

 

Zeventig jaar geleden was het leven van de dorpeling, volwassene en kind, doortrokken van het geloof. Voor de meesten was dat geloof een simpele aangelegenheid: het nakomen van geboden en verboden, het ontvangen van de sacramenten. Ze hadden een vage voorstelling van God, de hemel en kerkelijke leerstellingen. Stonden daar niet te lang bij stil. Ze hadden vragen, dat wel. Hoe kon de Maagd Maria bevrucht raken en toch onbevlekt blijven. Hoe presteerde die rakker dat: de Heilige Geest? Hoe kon het trouwens dat God één persoon was en tegelijk uit drie personen bestond: God de vader (een oude man zoals Michelangelo die schilderde in de Sixtijnse kapel, in een lang kleed, met lang, grijs haar), de Zoon (Jezus Christus van Nazareth) en de Heilige Geest (voorgesteld als een duif?) Waarom liet de Zoon zich kruisigen terwijl hij als God de macht had dat heel anders te regelen? Was het nou echt zo verschrikkelijk dat Adam een appel jatte om daar Eva blij mee te maken? Moest God de Vader zich echt zo opwinden over zo’n akkefietje en was het niet overdreven om Zijn Zoon naar de Aarde te sturen om zich te laten kruisigen? Spoorde zo’n vader eigenlijk wel? Kort en goed: de pastoor legde het uit, op de preekstoel. Die had ervoor gestudeerd. Dan klopte het ook. En wat niet uit te leggen viel, was een mysterie. Daar moest je in geloven en niet te lang over zeuren. Dat was nou juist geloof.

Dat gold ook voor de kleine gelovige, het kind. De hoogtepunten in zijn jonge leven waren de kerkelijke feestdagen en momenten waarop hij werd opgenomen in de katholieke kerk: de doop (maar die onderging hij niet bewust), de eerste communie (dan kreeg hij zijn eerste kostuum en een missaal, zij haar eerste mooie jurk en missaal), de plechtige communie en het vormsel. Het had meer voor de hand gelegen als de overgang aan het einde van het schooljaar naar een hogere klas het hoogtepunt van het jaar zou zijn, maar dat was niet zo. Die werd afgedaan met een aai over de bol en een rijksdaalder in de spaarpot. Ook de eigen verjaardag ging vrijwel rimpelloos voorbij. De hoogtepunten in het jaar waren naast Sinterklaas, Kerstmis, het einde van de vasten, Pasen en Pinksteren. Met Pasen kregen kinderen nieuwe kleren en een paashaas of paaskip.  

Ook het leven van het kind was doordrenkt van godsdienst. De pastoor en kapelaan bezochten de klassen op de jongensschool en legden de vragen van de kleine catechismus en later die van de grote katechismus uit. Overhoorden de kinderen. Die konden een wit voetje halen bij God, de onderwijzer en de pastoor door dikwijls naar de ochtendmis te gaan, met name in de vastentijd. De kans dat familieleden minder lang hoefden te branden in het vagevuur voordat ze werden toegelaten tot de hemel was zeker aanwezig als je vaak naar de kerk ging. Die kans nam weer af als een kind graag vooraan rechts in de kerk zat, bij het Jozefaltaar, daar waar de meeste jongetjes zaten en smiespelden, duwden, knepen, grappen doorvertelden, zeg maar... zaten te kloten. Iets dat niet zelden een luid ‘Pppsssttt’ uitlokte van oude vrouwtjes in de voorste banken en boze blikken van ouders elders in de kerk.

Een achttal kinderen werd elk jaar in de eerste en tweede klas uitgekozen om misdienaar te worden. Ze kwamen een maand of vier in een kamer in het klooster bij elkaar en leerden onder leiding van een non de Latijnse misgebeden uit het hoofd, die voor een gewone en een plechtige mis. Oudere misdienaars die uitblonken, mochten de missen met drie heren doen op kerkelijke feestdagen en de huwelijks- en uitvaartmissen. Daarbij werden bijzondere attributen gebruikt zoals een altaarschel die uit vier bellen bestond, een wijwateremmer met kwast, een wierookvat aan kettingen en scheepje waaruit met een lepeltje wierookkorrels op de gloeiende tablet werden gestrooid. Op feestdagen ook droegen de misdienaars rode togen.

De misdienaar voelde zich een uitverkorene. Zijn functie was niet zo hoog als die van de pastoor, maar dat scheelde weinig. Hij had allerlei privileges. Zo mocht hij met een knuppel tamme kastanjes uit de bomen opzij van de kerk gooien, appels rapen in de pastoorstuin als hij daarvoor toestemming had gevraagd bij de pastoorsmeid en elk jaar nam hij deel aan een misdienaarsreis. Niemand mocht wijn en water over de vingers van de pastoor gieten. Hij wel. Maar het belangrijkste: hij kon een blik werpen achter de coulissen van het kerkelijke bedrijf, om zo te zeggen. Hij was thuis in de sacristie, zag de pastoor zijn misgewaden aantrekken, kreeg standjes en goedkeurend gebrom, mocht in de pastorie komen, meikevers vangen in de beukenheggen, de klokken luiden en ervaren dat hij in de eerste klas heel wat hoger aan het klokkentouw omhoog getrokken werd dan in de zesde. Oogluikend werd toegestaan dat hij in de kerktoren naar boven klom, tot aan de galmgaten of hoger. Het waaide er hard, er lagen hagelwitte eieren van duiven en wie er niet op verdacht was schrok zich te pletter als de klok het uur sloeg. De mensen beneden waren even klein als mieren.

In het geheim had een kind een eigen kijk op geloof. De epistel- en evangelieteksten werden in zijn beleving belachelijk plechtig voorgelezen en de pastoor knoopte daar op de preekstoel een overdreven serieus verhaal aan vast. Jezus Christus was een weinig vrolijke figuur die goocheltrucs gebruikte –wandelen over water, water in wijn veranderen– om indruk te maken. Niet dat een kind niet kon opgaan in de opgetogen sfeer op feestdagen. Maar het steeds terugkerend ceremonieel vertoon bij liturgische vieringen werd als saai en opgeblazen ervaren, verveling en scepsis vochten om de voorrang. De sprookjes van Andersen en Disney waren veel mooier en spannender dan die verhalen over een vreemd volk in een kale woestijn ver weg en van lang geleden. De verhalen in de Okki en het jaarlijkse Winterboek of de avonturenverhalen in Arendsoog- en Pim-Pandoerboeken stonden veel dichter bij hen. Wat mankeerden de grote mensen eigenlijk dat ze naar een groot, koud gebouw liepen –de klok hoefde maar te luiden of hup daar trokken ze hun jas weer aan– om te luisteren naar teksten die ze niet eens verstonden want het was in het Latijn? Ze huppelden achter elkaar aan omdat het moest, maar wat stelde het voor?   

Het kind en de volwassene leefden ieder in hun eigen wereld.    

 

Jasper Mikkers

 

 

Onderzoek Kasteren en Sint Janskapel

Bij het onderzoek voor het boek van Kasteren komen we in de Bossche archieven (Bosch Protocol) in het jaar 1403 een tweetal bekende namen tegen, namelijk Romboldus Clinckart een zoon van Henricus van Wetten, die aan een tweede bekende Kasterense naam, namelijk Baudewinus Josephszoon van Casteren een stuk beemd in Liempde verkoopt. Dit stuk grond ligt niet in Kasteren maar vóór de kapel van Sint-Jan. Dit is een erg oude vermelding van de Liempdse Sint Jans-Kapel (zie bijgevoegde tekening uit 1787 van Hendrik Verhees).

Ger van den Oetelaar

OPM. Redactie - de tot nu toe oudste vermelding van de Sint Janskapel was 1440. In dat jaar schonk de clericus Jan van Geffen twee mud gerst die de rector van de Sint Janskapelle kreeg (Bron: L.H.Chr. Scheutjens: Geschiedenis van het Bisdom 's-Hertogenbosch - Sint-Michielsgestel 1873.) 

 

Archeokout 41

Was me dat even een knalfeest! Die boze geesten hebben we dan toch maar mooi verdreven. Welke boze geesten? Nou die klimaatdrammers, de gezondheidfreaks, de huisdieren, het linkse tuig dat ons altijd al onze pleziertjes wil afnemen en de overheid met zijn onmachtige niet-handhaafbare regelgeving. Ha, ha, we hebben het verbodene toch maar lekker kunnen doen zonder straf en we hebben de medicijnmannen bergen extra werk gegeven met beschadigde ledematen en vernielde ogen. Wat rook t heerlijk naar kruitdampen en wat was de straat weer prachtig bezaaid met papierresten, 't leek wel carnaval. De enige boze geest die zich niet liet verjagen was het imperialisme. Had onze Mark ons laatst zo op het hart gebonden dat we ons op oorlog moesten voorbereiden, hield ie toch mooi zijn kaken op elkaar toen keizer Donald de Grote aangaf Panama en Groenland desnoods gewapenderhand in te lijven.

Maar ja, imperialisme is nu eenmaal van alle tijden. We hebben de afgelopen maanden alhier mogen genieten van het Imperium Romanum en deszelfs val wegens trots, hoogmoed en interne strubbelingen, en er zullen nog vele imperia volgen en vallen. Het Romeinse Rijk viel nog niet helemaal, want de oostelijke variant heeft het nog lang weten te rekken, maar het westen is uiteindelijk qua macht overlopen door allerhande Germanen, al is het cultureel nooit echt verdwenen. Juist omdat ze  van alle Germaanse volkeren het meest geromaniseerd waren, kwam de West-Europese macht  in  handen van de Franken, om uiteindelijk te culmineren in het keizerschap van Karel de Grote.

Wie waren dan die Germanen? De grote Julius had ze zo genoemd, naar de eerste "noorderlingen" die het waagden de Rijn over te steken, en dus heetten voortaan alle volkeren ten noorden en oosten van de Limes Germanen. Maar, even afgezien van die naamgeving, wie waren ze en waar kwamen ze vandaan? Het gemakkelijke en tevens weinig informatieve antwoord is dat het Yamnayas zijn, net zoals de Kelten en eigenlijk zo'n beetje iedereen in Europa had wel een forse genetische Yamnaya component. In de duizenden jaren die ze hier doorbrachten hebben ze zich gediversifiëerd, qua cultuur en taal. De gemeenschappelijkheid van de Germaanse talen en die van de Keltische talen geeft enig onderscheid, maar dat is dan vooral cultureel. Bij Kelten denken we dan vooral aan de afkomst van Centraal-Europese bronstijd culturen, bij de Germanen zien we een Noord-Europese concentratie.

Genetisch onderzoek laat zien dat er ruwweg drie genetische Germanen variaties zijn. Een lijkt op die van de Kelten, wat duidt op vermenging door de trek van Kelten noordwaarts zowel als de zuidelijke beweging van de Germanen later. Een ander verwijst mogelijk naar Noord-Duitse en Nederlandse concentraties en een  derde, die vooral de afkomst uit Skandinavië vertegenwoordigt. Die laatste is goed waarneembaar in landen met meer talen zoals Zwitserland en België, waar de noordse variant meer voorkomt onder de sprekers van de Germaanse taal terwijl de Keltische genen meer voorkomen onder de Romaans sprekenden.

De gemeenschappelijkheid van de Germaanse talen is door linguisten teruggevoerd tot een soort oertaal, het Proto-Germaans dat ergens in de noordse bronstijd ontstond (1700-500 vjt). In die tijd was Skandinavië redelijk warm, zoals nu hier, maar allengs vanaf 700vjt werd het natter en kouder en trokken de mensen weg naar het zuiden, zoals uit pollen onderzoek blijkt. In de expansie naar het zuiden deden ze Oost-Nederland aan en later het Zuiden (zie de illustratie), wellicht vond toen in onze streken al een vermenging met de Kelten plaats. De Friezen zouden Germaans zijn, maar hadden in hun taal Keltische trekken. In het oosten verstigden zich allerlei volkeren zoals de Usipeten,  Ampsivaren, Chamaven en Bructeren, die weer naar het zuiden werden gedreven door de Chauken en Saksen. Uiteindelijk trokken ze  eeuwen later,  verenigd tot de Salische Franken, ons Toxandrië binnen, speelden foederati en namen vervolgens in de Merovingische periode West-Europa over.

Andere Germaanse volkeren die vanuit het noorden kwamen waren zeker zo relevant voor de ineenstorting van het Rijk der Rare Jongens. De Vandalen die vanuit Zweden naar Hongarije trokken en later opgejaagd door de Hunnen plunderend door Gallië trokken, door de Franken naar Spanje verdreven werden en van daaruit naar Carthago trokken om piraatje te spelen. De West-Goten die na drie belegeringen Rome innamen en plunderden in 410njt en later doortrokken naar Spanje om de Vandalen te verdrijven. De Oost-Goten die na de Hunnen in de Balkan heersten, uiteindelijk onder Theodorik Italie binnentrokken om Odoaker te vermoorden en zijn rijk over te nemen en  dat in 550 njt verdween door een ander Oost-Germaans volk, de Longobarden. Als laatste Oost-Germanen noem ik nog de Bourgondiërs die al in de derde eeuw naar Gallië trokken en na wat strubbelingen assimileerden. Uiteindelijk hebben de Oost-Germanen het verloren van de tijd en de West-Germanen, zelfs hun talen zijn uitgestorven.

Het was me een gedoe met dat ongehoorzame volk dat zich vooral verzette tegen  een overheid die niet bij machte was de orde te handhaven. Een beetje zoals hier met oud en nieuw en in de wereld met de VN.

Jaap van der Woude

 

Winter ongeveer 55 (nu 79) jaar geleden (in 1946)

Ge hurt tegeworrig nog alluns unne keer zeggen, dur zèn gin winters mèr gelek vruuger. Mer dè weet ik tog nog nie zo krek. We leven tegeworrig ok in hille andere werlt es toen. Es ge de huis bekekt, die we nou hebben of vruuger, dan skilt dè heel veul, nhou hebben we ut hil hoos dur verwerming, mèr dè waar vruuger wel wè andus. Est 55 jaor geleën tussen de vef en tien groade vroor en dur stond unne kouwe oostenwind dan vuulde dè binnen veul kouwer aon es tegeworrig. Want es ge dan in dieje grootte open hert zoat, mi mer un platte buiskachel gestokt mi wè hout en der of nor de opkamer dan kont ut verdommes kouw zen en dan worre wel un werme kruik mee nor bed genomme mer nou hebben we bekant allemaol un elekut trekt overal onder de deuren dur, dan is ut verskil wel heel groot, in vergelijking mi diej verwermde vertrekken van tegeworrige.

Est gè nou nor bed gonkt nor dieje kouwe kamer mèr mè 'n lekriese deken en verwerming op de slaopkamers en dekbedden en weet ik al wè meer. Dur skieten men mèr zo un por dingen te binnen nou ik zit te mijmeren over de winter van vruuger. Vat nou mèr us ut strooien van de weg. Nou zitten zu in unne verwermde auto mi volop meziek en tellefoon mèr zo’n 55 jaor geleën waor dè wel iets anders. Toen stonde du geminte erbers aachter op unne open vrachtauto mi dur skup ut zout uit te strooien. Ik weet nog goed est smergens glattig waar of ut ha veul gesneuwd dan kwam um un uur of vef Goof van Breugel (de veldwachter) of Toontje dun Dekker (Hermes Veerman van de geminte erbers) bons dun buurman roepen. Janus komt ur us uit want dur zal gestrooid moeten worren. En dan stonnen ze dor aachter op dieje auto Janus Roovers, Nillike Bèrs, Naris Spierings en dè waar gin pluzierig werk en dan kunde nou wel zeggen ut is nie mer zou kouw es vruuger mèr dè trek ik tog in twijfel. Vat bevurbilt de romrijers mi perd en kaor nor ut Liems botterfabriek; dan moest dè perd smèrgens skerp gezet worren (in dun donkere) nou hebben we overal buiten lampen, mèr dè waar toen niej. Diej miensen dur hand waren eel bekant bevrorren vur dè ze de urste kan gelaoën han en toen laoter mi perd en wagen nor Boxtel en bekant nergens ginne harde weg. Toen dieje tèd dan hoefde ut nie veul te vriezen of ut waor heel kouw. Tegeworrig komme zu mi unne skonne tankwagen die miense leijen niks, dè bedoel ik mèr mi ut verskil van winter.

En wè denkte van die miense die smèrgens op dur fiets nor Best of Eindhoven of Boxtel moesten gaon werken, ik weet nog goed, dè we op stal zaten onder de koei, um te melken (dor waor ut lekker werm) en dan heurde wij die miense langs komme (op dur fiets), bekant nergens gin straotlampen en ut licht op hun fiets dè waor dieje ted ok nie alles en es ge dan nor Best of Eindhoven moest dan waor dè gin kleinighet. Ik heb onze vadder dik heurre zeggen in zen eige: "Wè hebben die miens ut slecht." Op dun dag vandaag zitten we bekant allemaol in unne werme auto. En wè denkte van de postbooi (Everaart Overbeek) en Januske van Elderen (Thomassen) die kloefde mè dur fiets naor Boxtel dur al die kouw, de post ophaolen vur Liemt. Ik heb ze dik heure vertellen est veul gesneuwd ha smèrgens, dè ze op en neer te voet, met de fiets aon dur hand nor Boxtel moesten. Dan de post hier in Liemt uitzoeken (dè waor bè Cor van Berkel) en dan wir in hil Liemt de post rond gaon brengen. En dan te voet nor Kasteren of Veldere dè waar tog een hil eind ut elkaar. Te voet of op de fiets dan waar un bietje kouw al gauw genog um verrekte ermoei te leijen.

Wordt vervolgd.

Uit geschriften van oud Kèk Liemt-secretaris (wijlen) Frans van den Langenberg die dit voordroeg tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de bestuursleden van Stichting Kèk Liemt tussen Kerst en oud en nieuw 2001. 

 

Erfgoedvereniging Kèk Liemt


Keefheuvel 20, 5298 AK Liempde
E-mail: info@kekliemt.nl