Bekijk deze nieuwsbrief in de browser
 
logo

Kèk Efkes - jaargang 7 Nummer 46 - 15 februari 2025

Inhoudsopgave

1. Inhoudsopgave

2. Van de Voorzitter

3. Actueel

4. Het mysterie van een scherf...

5. Archeokout

6. Levend erfgoed op Kasteren

7. Kostbare munten of vergane glorie

8. Geweld op Kasteren in 1743

9. De juffrouw van de eerste

10 Ontsmettingen anno 1808

11. Kasteel Henkenshage en Liempde

12. Fluwijn op de Duiventoren

13 Winter deel 2

 

Van de Voorzitter

Foto: Boekpresentatie in zalencomplex het Spectrum in Schijndel. De personen met opgestoken hand zijn naamdrager van de betreffende familie.

Boekpresentatie ‘Genealogie Van den Oetelaar’ Deel II

Op 25 januari jl. heeft ons lid Ger van den Oetelaar, onder grote belangstelling, deel II over de ‘Genealogie Van den Oetelaar’ gepresenteerd. Dit boek beschrijft over de periode 1700-1800 het wel en wee van landlieden, bestuurders en zelfs Kartuizers binnen het Hertogdom Brabant die allemaal een ding gemeen hebben: het Van den Oetelaar-DNA. Het is een vervolg op een eerdere uitgave over zijn ‘roemruchte’ familie uit 2011 dat handelt over de periode van 1250-1700. Ook in de 18de eeuw woonden de leden van de familie Van den Oetelaar vooral in Schijndel, Sint Oedenrode en Gemonde maar de familie spreidde zich ook verder uit naar Kempenland en Vlaanderen. Er zijn behalve deze nieuwe periode ook nieuwe archiefvondsten en opmerkelijke andere ontdekkingen te melden. Mocht je geïnteresseerd zijn? In onze erfgoedkamer liggen beide delen ter inzage. De boeken zijn te bestellen op de site van ANTIQUARIAAT DUTHMALA: https://www.duthmala.nl . De periode 1800 – heden is nog onbeschreven, dus wie weet volgt er ook nog een Deel III !

Het jubileum boek is niet te koop.

Ons jubileumboek ligt goed in de markt. Al diverse personen hebben gevraagd het boek te mogen kopen. We hebben deze mensen tot op heden steeds teleur moeten stellen. Want het boek is niet te koop, het is immers expliciet bedoeld voor onze leden. Wat doen we dan met de boeken die over zijn? De oplossing hiervoor ligt voor de hand. Iedereen die vanaf nu lid wordt krijgt behalve het lidmaatschap het boek er gratis en voor niets bij. Natuurlijk tot zover de voorraad strekt. Dus zeg het voort! Aanmelden lidmaatschap kan via onze site www.kekliemt.nl 

Save the date!

Op 17 maart a.s. staat de jaarlijkse Algemene Ledenvergadering van onze vereniging op het programma. Deze vergadering vindt dit jaar plaats in dienstencentrum De Kloosterhof, aanvang 19:30 uur. De agenda wordt binnenkort verstuurd. Aansluitend aan deze vergadereing is er na de pauze een interessante lezing over de geschiedenis Van de familie van den Oetelaar.

Harrie Raaimakers

 

Actueel

Wim van Erp verhaalt over de veranderingen in het onderwijs tussen 1974 en 2024.

Maandagavond 24 februari 2025 is het zover. Dan volgt deel II van de trilogie-lezingen in de tijdspanne dat Stichting Kèk Liemt bestaat (50 jaar.) Om 19:30 uur geeft oud-hoofd der R.K. Basisschool De Oversteek (zo was toen formeel de naam nog) en ons (bestuurs)lid Wim van Erp een inkijkje in 50 jaar basisonderwijs in ons dorp over bovenstaande periode. In 1970 vond de ontkoppeling kerk-/schoolbestuur plaats en werd het R.K. Schoolbestuur Sint-Albertus, zonder geestelijke zetel in het bestuur.

Wie het voorproefje van de lezing eind november in De Kloosterhof heeft meegekregen zal ook deze avond genieten van de anekdotes die Wim, mede aan de hand van beelden, verhaalt. Het wordt wederom smullen. Kom jij ook. De toegang is gratis. Bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd is open vanaf 19:00 uur.

 

Het mysterie van een scherf...

In de vorige eeuw waren er ook in Kasteren een tweetal stille kroegjes. Één was aanwezig in de boerderij op het huidige adres Kasterensestraat 15. Daar runden rond de eeuwwisseling, vanaf 1884 tot 1911, Schijndelaar Jan Heesakkers (*1830 +1911) met zijn Nulandse vrouw Maria Elizabeth ‘Bet’ van Aspert (*1844 +1920) het stil kroegske. Ze serveerden onder andere jenever en bier. Tijdens het bouwen van een schuur werd op Kasterenestraat de hierbij afgebeelde scherf gevonden. De vraag is natuurlijk, van welke brouwerij komt deze scherf?  

De Liempdse bierbrouwer John Joosten heeft er diep over nagedacht hij geeft aan: Er staat brouwery i.p.v.  brouwerij, dit is is opmerkelijk omdat in het Nederlands taalgebied brouwerijen altijd met lange IJ worden geschreven. Als je zoekt dan zijn er alleen in de Vlaamse Westhoek bouwerijen die met een Y worden geschreven. Er staat heel waarschijnlijk Holland. Dat is wel opmerkelijk voor een scherf in Brabant. Alles onder de grote rivieren is chauvinistisch genoeg om dat geen Holland te noemen. Zover ik kan zien heeft alleen Brand bierpullen uitgegeven met grote letter Holland erop. Mijn aanname is dat op de derde regel de naam van een brouwerij staat. Maar deze regel is zo kort dat er niet heel veel letters voor passen. Het kortste dat ik kan bedenken is Arcen.  Maar dat lijkt me zelfs te lang.

Brouwersnazaat en Kèk Liemt bestuurslid Hanneke van der Eerden heeft er ook nauwkeurig naar gekeken: Als "alles opraper wat ik in de grond vindt" heb ik zo'n scherf zelf nog niet gevonden. Zij geeft aan: bier zat vroeger in flessen of in vaten, met een beugelsluiting, niet in steengoedflessen. Steengoed is dubbel gebakken, en daarom zeer water- en vloeistof dicht en neemt geen smaakjes aan. In steengoedflessen, zoals deze, werd sterke drank vervoerd. Veel steengoed kwam uit het Keulse gebied, maar is daar vaak grijzer (Keulse potten) of bruin van kleur. Het zelfde geldt voor de Hollandse jenever, die zit in bruine steengoedkruiken, maar dan zou er geen Brouwery op staan. Het tweede woord kan vrijwel enkel staan voor Holland  Het onderste - Arcen is vroeger nooit Arzen geweest. Mogelijk Weizen? maar dat heeft een duidelijke Duitse afkomst en geeft geen match met Holland op de fles.

Hanneke en John komen er dus niet echt veel verder mee. Wellicht zijn er lezers van de Kèk-Liemt-Nieuwsbrief Kèk Efkes die wel een oplossing hebben? 

Hanneke geeft al een winstwaarschuwing: ik vrees dat je stille kroeg ook in de toekomst stil zal blijven.

Ger van den Oetelaar

 

Archeokout 42

Inzichten veranderen en daar is op zich niks mis mee, tenzij de gevolgen onevenredig groot zijn, zoals bij die complete dwaas aan de andere kant van de plas. Andere twijfelachtige  veranderingen behelzen wetenschappelijke inzichten of wat daarvoor moet doorgaan. We hebben in het archeokoutisch verleden de wijzigingen gezien in de gedachten over migratie, die later weerlegd werden door DNA-technieken. Een volgend voorbeeld betreft de grote volksverhuizingen in de vierde tot de zesde eeuw nbj en daarbij de visie op de middeleeuwen. Prachtige landkaarten met dikke pijlen gaven vroeger op school en in de boekjes aan hoe de volkeren van hot naar her trokken en zo het ooit zo machtige geciviliseerde Romeinse Rijk verbarbariseerde. Toen begonnen de donkere middeleeuwen, een tijd van domheid,  achteruitgang en armoede, waaruit we pas 1000 jaar later herrezen. Onnozele hals die ik was geloofde dat natuurlijk meteen, zoals ik alles voor zoete koek aannam tot ik een jaar of twaalf, dertien was en de het hele kaartenhuis van waarheden rond God, Volk en Vaderland ineenstortte.

De ideeën over de volksverhuizingen en de middeleeuwen zijn in de tussentijd toch wel wat verschoven. Men leerde kritischer kijken naar de geschiedkundige geschriften en de romantiserende en volksmennende invloed daarvan. Ook hier heeft DNA-onderzoek invloed gehad: op een grote merovingische begraafplaats in Rhenen bleek gedurende vier eeuwen geen sprake van genetische veranderingen te zijn. Er waren wel oost-west en noord-zuid bewegingen, veroorzaakt door klimaatwijziging. De noordelijke kuststreken werden veel natter en de malaria sloeg toe. Angelen, Saksen en Juten trokken westwaarts en vestigden zich in Engeland. Friezen en andere noordelijke Germaanse stammen die later onder de  Franken werden geschaard trokken naar het zuiden.  Maar dat deden ze al eerder, ze vestigden zich in Toxandrië (Brabant) als foederati en assimileerden snel. Bovendien ging het meestal om kleine groepjes soldaten, die graag de Romeinse cultuur overnamen en christen werden, al was dat vaak het Arianisme (Jezus en de Heilige Geest ondergeschikt aan God). In onze streken viel het dus wel mee met de volksverhuizingen, elders onder invloed van de Hunnen was dat wel anders.

De middeleeuwen en de manier waarop die als "Dark Ages" aan de man gebracht worden en werden zijn altijd ernstig idealistisch gekleurd. Enerzijds werd de val van het West-Romeinse rijk afgeschilderd als de complete ontmanteling van economie en cultuur alsmede het verloren gaan van kennis en kunde, anderzijds werd de Renaissance gevierd als de terugkeer tot de klassieke cultuur,  de ontworsteling aan de kerkelijke knechting en haar castratie van de menselijke geest.  Het is me wat.

Het einde van het West-Romeinse rijk was echter helemaal niet zo revolutioniar, de macht ging geleidelijk over in handen van volkomen geassimileerden die van alle Romeinse organisatie gebruik maakten en de cultuur voortzette, of het nu Goten, Lombarden of Franken waren. Met name de Salische Franken groeiden uit tot de "nieuwe Romeinen". Ze bedienden zich van het Latijn, waren christenen. Omdat ze  aanvankelijk te gering in aantal waren om veranderingen te weeg te brengen, lieten ze het reilen en zeilen over aan de gevestigde kleinere heersers van oude Romeinse stempel, zodat er weinig tot niets veranderde. De handel floreerde en het ging de mensen goed.  De mensen waren in die tijd gezonder dan ervoor en erna, ze werden langer, er waren minder tandrot en infecties. Er zijn ook aanwijzingen dat de kennis van medicinale planten en de geneeskunst goed ontwikkeld waren, getuige de genezen wonden en breuken, schedel- en staaroperaties, tandbruggen en beenprotheses. In de graven worden rijke giften en relatief weinig sporen van geweld aangetroffen. In 2014 was er in het Rijksmuseum van Oudheden een grote tentoonstelling over Nederland in de Merovingische wereld. Het bijbehorende boek heet niet voor niets "Gouden Middeleeuwen".

De Franken namen ook het rechtssysteem van de Romeinen over en voegden daar nog wat eigen, vrij strenge, wetten aan toe, de Lex Salica. Daarin worden zaken geregeld als migratie, jacht, schade afhandeling, diefstal, boetes bij belediging of versperring van waterwegen. Maar ook werd het erfrecht geregeld zoals gelijke verdeling onder mannelijk kroost en het verbod op landbezit door vrouwen. Dat laatste heeft nog lang doorgewerkt, in België is dat pas in 1991 afgeschaft, in Zweden iets eerder in 1979 en Nederland verloor daardoor Luxemburg bij het aantreden van Willemien. De doodstraf gold voor moord zonder aanleiding, voor verkrachting en voor trouwen met de vrouw van je vader. Gewone moord werd met 200 solidi boete gestraft (die voor een derde in de zak van de graaf belandde), tenzij het om adel ging, dan was het 600 solidi. Als je het niet kon betalen werd je verbannen of  slaaf van de familie van het slachtoffer.

Een leuke aardigheid is dat deze  in het latijn geschreven Lex Salica de eerste oud-Nederlandse zin herbergt, een toverformule bij de bevrijding van een lijfeigene (laat): "maltho, thi afrio lito" (ik meld, jou bevrijd ik laat). Dat is 600 jaar voor "hebban olla vogala". Misschien moeten we dat zinnetje in ere herstellen ten faveure van ongedocumenteerde arbeidsmigranten.

Jaap van der Woude

 

Levend Erfgoed op Kasteren

Voor Liempde denken we bij erfgoed vaak aan de oude cijnsregisters, de bolakkers of de monumentale boerderijen. Er is ook levend erfgoed. Dieren en planten die door kruising beter bruikbaar werden. Een echte Liempdenaar is natuurlijk de Liempdse Wilg. De Liempdse Wilg is een officiële variëteit binnen de wilgen. De Latijnse naam voor Liempdse Wilg is Salix alba ‘Liempde.’ De naam ‘Liempde’ is te danken aan het feit dat deze variëteit/kloon ontstaan is in Liempde door het werk van twee Liempdenaren: Kees Sanders en Harrie van der Vleuten. Kees Sanders is de grootvader van de huidige uitbater van café ’t Groene Woud. Deze bijzondere, in de jaren vijftig in Liempde (op Kasteren) opgekweekte wilg, is opnieuw beschikbaar om te planten.

In hetzelfde Kasteren werd ook specifiek fruit geteeld. In 1437 verkoopt Jan Loyt, zoon van wijlen Aart Loyt, aan Goijaert Gijben van der Sporct een Kasterense erfpacht met de verplichting voor de levering van twee tonnen appels bestaande voor de helft uit Poetappel en voor de andere helft uit Cruijsappel. Momenteel loopt er een onderzoek (in samenwerking met Kèk Liemt en NWG Liempde) naar de genetische samenstelling van Hop in Liempde. Wellicht zijn er in de Liempdse leembossen nog variëteiten te vinden van de veelvuldig geteelde hop. De pachters Klaas van Herenthom en zijn zoon Joest van kartuizerhoeve Het Groot Duijfhuis teelden in 1477 1.000 hopkuilen (ongeveer een halve hectare) op Kasteren, wellicht zijn het nazaten van deze hopplanten, in de Kasterense leembossen zijn verschillende monsters genomen.

Jan Zandbergen en Jeanne van den Boom zijn aan de Hoevedreef actief om talloze oude fruitrassen namelijk 275 appel-, 200 peren-, 50 pruimenrassen te onderhouden. Ook loopt er op Kasteren als sinds 1982 een middeleeuws Brabants kippenras rond, het Brabants Boerenhoen (zie foto.) We mogen ook niet vergeten dat Rien van de Laar en zijn zoon Jos al decennia Brabanders (het Nederlands trekpaard) op Kasteren fokken. Velen genieten elk jaar van de mooie veulens met hun zware moeders in het landschap.

Ger van den Oetelaar

 

Kostbare munten of vergane glorie !?

Wie dit jaar weer de jaarlijkse zittingsavonden van De Ploegers heeft bijgewoond en wat wilde drinken in multicultureel centrum De Serenade moest langs Bert van Ruremonde en Kees Braken om de nodige groene muntjes aan te schaffen. Tijdens Carnaval in de overkapping/tent op het Raadhuisplein/Dorpsstraat moet je ook hier munten kopen. Een bekend fenomeen van de laatste jaren of...

Op bijgaande foto een 4-tal munten die op dit moment niet meer geldig zijn om de eenvoudige reden dat twee van de drie locaties niet meer bestaan en fanfare Concordia (in 2024 150 jaar oud) per 1 januari a.s. is omgedoopt tot muziekvereniging Concordia.

Het oudste plastic muntje is van café/dancing De Punder aan de Dorpsstraat, waar thans een 3-tal appartementen zijn gevestigd en een heus particulier automobielmuseum. De opvolger van zaal Amicitia, het Hof van Liempde, kende in haar historie twee muntuitgaven. Maar ook die kunnen in het archief als vergane glorie. Het complex aan de Nieuwstraat krijgt een nieuwe bestemming en zo valt ook daar het doek van een van de twee, samen met De Punder, grootste uitgaansgelegenheden van de jaren 70, 80 en begin jaren 90 van de vorige eeuw, waarbij 't Cattestraatje het 'scharrel'-paadje' bij uitstek was tussen de beide uitgaansgelegenheden van Miet de Punder en Willy en Nelly van Kaathoven.  

Arnold van den Broek

 

 

Geweld op Kasteren in 1743

Weer een bijvangst uit het Kasterens onderzoek. In 1743 wordt een verklaring afgelegd over een mesincident bij de Kasterense watermolen. Johannis Jan Ancems van der Eerden van competente ouderdom begaf zich op maandag de 28e ’s morgens omtrent de klok van half tien naar Boxtel waar het jaarmarkt was op die dag en dat hij na zijn affaires afgehandeld te hebben is gegaan naar het nieuwe, nog niet voltooide huis (= de Keulse Kar in Kleinder Liempde) van Franscus van der Eerden zijn neef en heeft dat huis bezichtigd. Daarna is hij naar een zekere Pijnenburg gegaan die daar dichtbij woonde en heeft daar Willem Jan Geerits van der Aa getroffen en na een drankje genomen te hebben heeft hij Pijnenburg verzocht om hem, samen met genoemde Van der Aa, op de juiste weg naar Schijndel te zetten wat Pijnenburg ook gedaan heeft.

Ter hoogte van de Kasterense watermolen zei Van der Aa tegen Van der Eerden Daer is een stuk peperkoeck wat hij met een mes aan stukken sneed. Van der Eerden nam het aan, maar Van der Aa begon met dat blote mes rond te zwaaien en toonde zich zeer dol. Van der Eerden viel op zijn knieën en bad Van der Aa dat blote mes niet tegen hem te gebruiken en hoorde Van der Aa ‘schrickelijck vloeken en dreigementen uiten Van der Eerden over sijn lijff te sneijden. Van der Eerden nam de vlucht maar werd door Van der Aa achtervolgd en bij Van der Eerden gekomen, met nog steeds het mes in zijn hand riep hij: Staet honsvot, mordieu staet vast. Daarop draaide Van der Eerden zich om en sloeg naar Van der Aa met een stok die onophoudelijk probeerde te steken met het mes. Terwijl Van der Eerden achteruit liep viel hij ter aarde en raakte tot drie keer toe gewond, nl. een steek beneden in de linkerborst en de twee andere van achterop de rug. Van der Eerden schreeuwde het uit en riep om hulp. Nadien zijn diverse mensen bij hem gekomen en is door hen naar een huis gebracht in de buurt. Maar Van der Eerden kent hun namen niet en door het bloeden was hij buiten kennis geraakt. Uiteindelijk verklaart Van der Eerden dat hij helemaal geen woorden met Van der Aa heeft gehad en ook niet begrijpt waarom hem die wonden zijn toegebracht.

 Ger van den Oetelaar

 

De juffrouw van de eerste

Regelmatig, als ik door de Dorpsstraat rijd, stop ik bij de plek waar vroeger de oude R.K. Jongensschool stond. Een gietijzeren hek scheidde de speelplaats van de straat, er was een loods waaronder we konden schuilen als het regende en er stonden vier lindebomen. Daarachter verborg zich het schoolgebouw. Ik hoef er nooit moeite voor te doen, herinneringen aan mijn kinderjaren komen daar vanzelf naar boven.

Van alle onderwijzers mocht ik juffrouw Van de Wiel het liefst. Ze had blauwe ogen met iets van grijs erin, lang, opgestoken haar, een bril met gouden montuur en in haar stem rinkelde een belletje. Als haren ontsnapten aan de spelden of haarklem op haar achterhoofd, veegde ze die met haar hand naar achter.

Streng was ze niet, maar ze gaf wel duidelijk aan wat haar wel en niet beviel. Als ze geïrriteerd raakte, werd haar stem harder en scherper, een waarschuwing voor jongetjes die te druk waren of de enkeling die zich baldadig gedroeg. Dat gebeurde zelden. Er heerste rust in de klas. En de juffrouw die de orde bewaakte, straalde voldoende warmte uit voor de zesjarigen om zich op school thuis te voelen.

Van haar leerden we lezen, iets waarmee ik later de meeste dagen van mijn leven zou vullen. Ze liet ons de letters opdreunen, de a van aa p, de o van n oo t, de ie van m ie s. Eerst de klinkers, daarna de medeklinkers. Het lesboek voor taal had bladzijden met verschillende kleuren en rook lekker van binnen. Het was nieuw. Er stonden opdrachten in en verhaaltjes die speelden in Amsterdam. We kwamen nieuwe woorden tegen en de omgang met elkaar in de grote stad bleek anders dan bij ons.

Het laatste uur op vrijdag las de juffrouw altijd uit een spannend boek voor. Toen op een vrijdag het boek bijna uit was, klonk geklingel van de bel. De school was uit en de juffrouw deed het boek dicht. Maar de jongens  bleven zitten. ‘Juffrouw, wil u doorlezen.’ ‘Ja, juffrouw, wij willen weten hoe het afloopt.’ Het gebouw liep leeg, er klonken geen geluiden meer, maar in klas 1 zaten de jongetjes nog twintig minuten ademloos te luisteren.

Ik bezocht de juffrouw twee keer bij haar thuis. De eerste keer wekte mijn komst verwondering. Ik logeerde bij een jonge boer, Toon van Mensvoort. Die woonde aan de Roderweg. Hij zei dat ik het paard naar de wei moest brengen, een donkerbruine merrie met het postuur van een rijpaard. ‘Ik?’ ‘Ja.’ Hij pakte me op en zette me op de rug van het dier. ‘Als ze niet wil lopen, druk je even je kuit in haar zij en roept ‘allee hop’. Als je ‘har’ zegt, gaat ze naar links, ‘hot’ is rechts. Maar dat zal allemaal niet nodig zijn. Ze kent de weg.’ Hij gaf het paard een klap op haar bil en het dier stapte het achtererf af, de Roderweg op. Richting Hamsestraat. Er was in die tijd weinig gemotoriseerd verkeer. Toch hoopte ik dat we geen auto zouden tegenkomen. Het ging goed. Maar wat zat ik hoog. Toen we bij de Hamsestraat kwamen, sloeg het paard linksaf, maar hield haar pas in bij de kruising met de Essenstraat. ‘Allee hup!’ Iets hield het paard tegen. Ze zou de weg kennen, maar daar merkte ik weinig van. Ik duwde met mijn kuiten tegen haar flanken. ‘Vort! Allee hup!’ Na enkele minuten kwam ze in beweging, maar volgde niet langer de Hamsestraat. Ze sloeg de Essenstraat in en liep links de achterplaats op van het woonhuis van juffrouw Van de Wiel. Daar bleef ze. Draaide haar kop naar links, naar rechts. ‘Har! Hot! Allee hup!’ Het paard bleef stokstijf staan.

Kinderen kwamen het huis uit. Ze waren allemaal ouder dan ik. Daar was ook de juffrouw. Ze keken naar mij omhoog. ‘Kom je bij ons op bezoek?’ ‘Nee, ik breng het paard naar de wei.’ ‘Dan ben je hier niet goed.’ ‘Hij wil niet verder.’ ‘Kom je er niet vanaf?’ Ik keek naar beneden. Schudde het hoofd. ‘Oké, dan blijf je zitten.’ Ze liepen weer het huis in. ‘Allee hup! Hup!’ Wanhoop borrelde omhoog. Ik keek om en zag boer Toon op zijn transportfiets over de Hamsestraat uit het oog verdwijnen. Een kwartier later reed hij opnieuw voorbij, kwam nu van de andere kant. Ik schreeuwde: ‘Toon! Toon!’ Hij kwam aangereden en gaf het paard commando’s. Het gehoorzaamde onmiddellijk. Terug op de Hamsestraat liet hij het dier draven. Alleen door voorover te liggen en met beide handen de manen zo strak mogelijk vast te pakken, kon ik voorkomen dat ik niet van de rug van de merrie werd gegooid. Ik had het gevoel een kaatsebal te zijn geworden. Een uit een boom gevallen eikel die over een weg van kinderkoppen vooruit stuiterde.         

Dat was mijn eerste bezoek aan de juffrouw. Later maakte ik haar nog eens thuis mee, maar toen was het afgesproken. Ik bracht een middag binnen haar gezin door. Samen met de kinderen plukte ik bramen langs de zandwegen vlakbij en daar maakte de juffrouw jam van. Heerlijker jam heb ik nooit geproefd. Ze was opvallend direct tegenover haar kinderen. Gemopper of protest werd vakkundig de nek omgedraaid. Van gezeur hield ze niet.

De juffrouw was getrouwd met wethouder Van de Wiel, een van de twee wethouders die Liempde rijk was. Van de Wiel was een goedmoedig man. Een levensgenieter die hield van goede moppen. Op zijn hoofd stond stekeltjeshaar, hij droeg een vest onder zijn colbert, had een flinke buik. Zijn broek werd opgehouden door bretels en hij rookte de hele dag sigaren. Zijn schoenen glommen meestal. Wie poetste die? Ieder met een baan bij de gemeente droeg schoenen die glommen. En ieder hield van een borrel.

Ook liet elke gemeenteambtenaar wel eens een steek vallen. De familie Van Boeckel organiseerde in die jaren jachtpartijen op het landgoed. Dat staat in de tweede autobiografie van mijn vader. Die schreef aan het einde van zijn leven twee autobiografieën, een korte toen hij ongeveer vijfzeventig jaar oud was, en een uitgebreide, vanaf zijn vijfentachtigste. Ik citeer. ‘De familie had een aantal jachtheren uitgenodigd voor de jacht op een deel van het landgoed, met bossen. De jachtopziener had de leiding en gaf aan waar de jacht zou plaatsvinden. In het geheel mochten slechts tien hazen worden afgeschoten, in lopende vlucht. Fazanten worden geschoten in vogelvlucht en konijnen in vlucht. Na de jacht was er een gezellig samenzijn onder het gebruik van een borrel en na de borrel volgde er een diner dat genoten werd in een grote tent achter de villa. Tot de genodigden behoorden de burgemeester van Liempde, de twee wethouders, de groepscommandant van de rijkspolitie, de postcommandant en de wachtmeester.’ Mijn vader was de wachtmeester. ‘Deze gezellige bijeenkomst duurde tot laat in de avond. Na het afscheid ging het huiswaarts op de fiets. We hadden allemaal een flinke borrel op, vooral de beide wethouders. We reden over een smal paadje met links en rechts een sloot, prikkeldraad en weilanden. Daar ging het mis. Wethouder Van de Wiel stuurde van het paadje af, reed recht de sloot in en belandde in het prikkeldraad. Toen we daarna bij wethouder Bax aankwamen, bleek Van de Wiel zijn broek gescheurd te hebben.’

Gezelligheid kent ook wel eens schaduwkanten. Normaal levert dat geen probleem op. Dat bleek niet te gelden voor onze onfortuinlijke wethouder. Die was enkele dagen eerder met zijn vrouw, juffrouw Van de Wiel, naar Amsterdam geweest om een nieuw kostuum te kopen. Dat had een aardige cent gekost, misschien wel meer dan de trouwjurk van juffrouw Van de Wiel, maar dat was het waard als je mocht aanschuiven aan een diner bij de Van Boeckels. ‘Hij wilde,’ zo schreef mijn vader, ‘voordat hij huiswaarts fietste, eerst naar ma.’ ‘Hij’ was wethouder Van de Wiel. ‘Ma’ was mijn moeder. Vader noemde haar altijd ‘ma’. ‘Ons ma.’ ‘Die werd uit bed getrommeld en stelde tot afgrijzen van de wethouder vast dat de scheur niet gerepareerd kon worden. 'Maar dan ga ik niet naar huis.' 'Wat is dat nou?' 'Nee, geen denken aan.' Hoe dit probleem op te lossen? Na enig beraad werd besloten dat ‘ma’ met hem mee ging. ‘Dan durf ik wel.’ Ma kleedde zich aan en stapte op de fiets. ‘Het was ver na middernacht toen we bij het huis van de wethouder aankwamen. Die verzamelde moed en ging samen met ma naar binnen. Wíj moesten allemaal buiten blijven staan. Na korte tijd verscheen ma weer. 'Het probleem is opgelost.' Opluchting alom. Hoe had ze hem dat geflikt? Wel, dat is een mysterie gebleven. Op vragen daarover gaf ma geen antwoord. De volgende dag vertrok ze met de wethouder naar Amsterdam en ze kwamen samen met een nieuwe broek terug. Opnieuw was de wethouder piekfijn uitgedost. Nergens sporen van sigarenas, soep of gemorste jenever. Nog niet.’

Jasper Mikkers

Foto Familie Piet van de Wiel  

 

 

Ontsmettingen anno 1808

Kort Berigt wegens de zamenstelling en het gebruik der Dampingen met Over-zuurd Zout-zuur, welke op de proef voldoende zijn bevonden, om alle besmettingen van Zieken voor te komen en te vernietigen. 

De ingrediënten deze dampingen bestaan uit gemeen Zout, Bruinsteen (natuurlijk zwart Bruinsteen–oxyde) en Zwavel-zuur (Vitriool Olie) met water verdund. Om deze ingrediënten tot het gebruik voor te bereiden, mengt men eerst vijf deelen Zout, tot een grof poeder gestoten, met één deel Bruinsteen, insgelijks tot een grof poeder gebragt, vervolgens mengt men vier deelen Vitriool-Olie met twee deelen Water. Deze laatste vermenging moet, eenigen tijd vóór dat het mengsel gebruikt gaat worden, voorzigtig zoo geschieden, dat men in een glas de Vitriool-Olie, bij kleine gedeelten tevens, in het Water giete; onder deze vermenging ontstaat er warmte, doch het mengsel wordt niet gebruikt vóór dat het geheel koud geworden is.


Wanneer men nu een matig groot vertrek, bij voorbeeld 18 voeten lang, 15 voeten breed en 11 voeten hoog, waarin Zieken liggen, bedampen wil, neemt men 1½  lood van het mengsel uit gemeen zout en bruinsteen, dit mengsel doet men in een bierglas of hard Keulsch potje, en giet er dan 8½ lood van de verdunde Vitriool olie op.
Met dit glas of potje, waar uit men nu grijsachtige dampen, die men niet sterk moet inademen, ziet te voorschijn komen, gaat men het gehele vertrek door, zoo dat wel al de hoeken door die dampen doortrokken raken; vooral komt men er ook mede aan en in de slaapstede, waarin de zieken liggen, ten einde ook daar de lucht behoorlijk gezuiverd worde; van tijd tot tijd roert men het mengsel met een tabakspijpsteel om, om de verdamping te verlevendigen. Indien men een vertrek wil zuiveren, waarin nu geene menschen meer zijn, maar waarin besmettelijke zieken gelegen hebben, gaat men eenigszins anders te werk: men sluit dan alle vensters digt toe, neemt al het ijzerwerk uit het vertrek weg, zet er in tegendeel de bedden en matrassen luchtig uit, en hangt er de klederen, die men vreest besmet te zijn, in opo. Nun plaatst men, in een vertrek zoo groot als het straks opgegevene, 3 lood van het mengsel in een Keulsch kommetje, op een konfoor met een weinig vuur, en giet er dan schielijk in een 1½ lood zuivere, niet met water verdunde Vitriool-olie op, waarna men schielijk henen gaat en de deur ook digt sluit. Men laat het vertrek zoo 24 uren met den damp staan, gaat er dan in, zet spoedig alle de vensters open, en laat het vertrek eenige uren doorluchten, wanneer men zeker zal kunnen zijn, dat alle besmettingen volkomen verdelgd is.

Aldus ter requisitie voorgedragen door President en Leden der Departementale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt, residerende te Utrecht.

 Utrecht 26 Julij                                                               (Geteekend)       1808                                                                                       MATTH. VAN GEUNS                                                                                                                                    (Onderstond)                                                                                                                                               Van wege dezelve,                                                                                                                                      (Geteekend)                                                                                                                                                 N. C. DE FREMERY,                                                                                                                                   Secretaris

Jan van de Sande

 

Kasteel Henkenshage en Liempde

Iedereen kent wel het huidige kasteel Henkenshage in Sint-Oedenrode. Dit kasteel was een leengoed van de Hertog van Brabant en bestaat al als leengoed sinds de 14e eeuw. Henkenshage is onderwerp in het boerderijenboek over Sint-Oedenrode, waaraan ook Wilbert Steenbakkers en Ger van den Oetelaar werken als auteurs.

Henkenshage heeft erg veel eigenaars gehad. De bekendste zijn wel de adellijke familie Van den Oetelaar in de 17e eeuw en de familie De Girard de Mielet van Coehoorn in de 19e eeuw. Deze laatste, met name jonkheer Pieter Jacob de Girard de Mielet van Coehoorn, heeft Henkenshage vanaf 1850 verbouwd tot de huidige geromantiseerde vorm. De 19e-eeuwse openbare verkoop van kasteel Henkenshage (en omliggen gronden en gebouwen), zowel de provisionele verkoop op 22 september als de definitieve op 6 oktober 1847, vinden niet plaats in Sint-Oedenrode maar vinden (zeer bijzonder) plaats in de Liempdsche Barrière aan de Straatweg van Den Bosch naar Luik onder de gemeente Liempde.

Als illustratie een foto van Ruud van Nooijen van Henkenshage.

Ger van den Oetelaar

 

Fluwijn op de Duiventoren

Interview met Jan Schoenmakers

Nieuwe Tilburgse Courant 02-10-1954 (oorspronkelijke tekst)
Bron: www.Delpher.nl

Het Groot Duijfhuis, een boerenbedoening bestaande uit een bouwmansbehuizing met Heerenkamer, karschoppen, duyventoren, wei- en hooilanden, bouwlanden en houtgewassen, te zamen groot 25 bunders, 5 roeden en 42 ellen moest eens gepraat worden met de tegenwoordige eigenaar Jan Schoenmakers, in het dorp bekend als Jan van Toon Huvender. Die toren ligt hem na aan het hart. Het heeft hem wat gedaan toen in 1942, op last van de Duitsers, alle duiven moesten worden afgeschoten.  Meer dan tweehonderddertig duiven werden er toen in enkele avonden neergelegd. In de voorgevel van de duiventoren is met een iets anders gekleurd steen het bouwjaartal 1661 ingemetseld. Jan Schoenmakers vertelt dat in 1916 de houten kap met leien gedekt, verrot was en in dat jaar door hem werd afgebroken met ongeveer een meter muurwerk waarna er een plat dak op werd gelegd. Op de oude kap had een smeedijzeren kruis gestaan 'met kronen als aan sommige oude hekkens' en daaronder een windwijzer. Het ijzeren kruis had Jan aan de pastoor gegeven 'omreden die het gère had'; de windwijzer heeft er nog lang gelegen, maar was nu ook opgeruimd.

Onder de laagste vlieggaten is rondom de toren een kraag gemaakt van in de breedte schuin omlaag stekende planken, welke kraag een wel zeer bijzondere betekenis heeft. Hij heeft ten doel de fluwijn te beletten omhoog te klimmen. Door de vlieggaten zou hij anders zijn prooi kunnen belagen. Antonius Schoenmakers, de vader van Jan, heeft het in de jaren negentig nog meegemaakt dat, toen de planken versleten waren en los tegen de gevels hingen, op een nacht een fluwijn op de toren was gekomen en een bloedbad onder de duiven had aangericht. Tweehonderd duiven lagen doodgebeten op de zolders en verscheiden jaren duurde het eer de toren weer voldoende bevolkt was, want slechts vierentwintig vogels hadden het er levend afgebracht.


Vroeger trof men op vele dorpen duiventillen, duivenwaranda’s en soms ook duiventorens aan. In ’t algemeen was het recht van duivenvlucht verbonden aan Heerengoederen, kastelen, buitenplaatsen enz.. Volgens Jan Schoenmakers bracht een vlucht duiven per jaar ongeveer vijfhonderd jonge duiven voort. Deze werden als bijna vlugge jongen uit de nesten gehaald en geslacht. Iedere vrijdag werd de toren nagezien, want vrijdag kwam dan de opkoper van wild en gevogelte, Nolleke van Rooy uit Boxtel, die er 's zaterdags mee naar de Bossche markt ging. Rond de jaren negentienhonderd brachten de duifjes een kwartje per koppel op. De oude duiven werden ongemoeid gelaten. Daarenboven leverde de toren jaarlijks zes karrevrachten kostelijk mest op. De kosten van de duivenvlucht waren gering. Alleen bij winterdag met sneeuw en vorst moesten de duiven gevoerd worden. In de andere seizoenen vonden zij hun voedsel op de akkers in een wijde omtrek.

Jan van de Sande

 

Winter ongeveer 55 jaar geleden, deel 2

En we denkte van dun bekker, die zun brood op zun bakfiets met jiej grootte maand veur op de fiets rond broekt, en dan wir dieje kooije weg overal dè waar echt afzien, op dun dag vandaag moeten zelf un brood haolen. Ik weet nog dè Janus van Jentjes (Smulders) hillemaol uit Olland kwaam mi zun winkelwaor op de bakfiets, hij kwam dan over Kaasteren geploeterd. Janus waar unne echte Liemse mens en zun vrouw ok en die waar kremer geworren in Olland en um dè it unne echte Liemse miens waar ha hij veul klanten hier in Liemt. Ik heb nogals unne keer gezien dèt iej aont tobbe waar met zun fiets dur de sneuw. We kunnen wel uns zeggen dur zen gun winters mer es vruuger, mer dur is ok veul veranderd, we ons matriaal en kleding en verwerming betrefd.

En we denkte van dun dokter (bijv.) Dokter Alkemade uit Rooi, die kwam altet op dun moter, we ha dieje miens kouw hoand es ie aon uw lijf kwam, ik meijn dè ik ut nog veuel, es ik ter aon denk. Ik weet nog dè ons vadder pillen moes gaon haolen in Rooi, vur men huid, dus hij gong te voet over dun Broekdijk, in dun dunkere nor Rooij. Want ge kont pas um un uur of zes die haolen want dun dokter moest urst toos zen van zun route. Moet uw eigen dè is vurstellen, ruim 16 km lopen in dun donkere over kooje weg vol gaoter en kuilen, dè midden in de winter mi dieje kouwe oostenwind in ut gezicht, dè waor gen kleinighet, nou mopperen we al, dè dun dokter zunne apotheek alleen mer twee kirre op unne dag open hè, want dan moeten we unne keer terug komme.

En we denkte van nor skool gaon, diej keinder dor aochter uit Kaasteren kwaamen of Veldere of Hezelur en Vrilkhoven. Dun mister of Dorus Abeelen die han de kachel wel goed werm gestokt, mer dè waa4r toen zo’n groot vertrek want es ge kort bè de kachel zoat, dan konden ut haost niej keren van de het, mer es ge aon de deur zoat of langs diej grootte raomen dan trok ut van alle kaonten, mer dan met speulkwetier moesten we dan ruilen, diij bè de deur of de raom han gezten mochten dan bè de kachel gaon zitten, mer nao de maddig tegen drie uure dan stokte dun mister al nie zo hard mer want um vier uure waor de skool uit en dan waar ut sunt van de wermte, es ur tog gin man bè de kachel zaat, en vur ut brand gevaor dinne dè ok al, want ut waar mist hout zo’n gebouw en ’s avonds waar dor geen man natuurlijk . Ik weet ok nog des in de jaore 1945-1946 geweest, dè ik op de bewaarskool zaat bè Zuster Augustina en Zuster Gelinda en dè wij mi zen alle rond de kachel zaten, um ons sokken en klumpkes te dreugen, en dan mer ut Liedtje zingen Lief Heertje geef mooi weertje, geef mooi dag dat het zonnetje schijnen mag.

En we denkte van de klompenmakers in dè kouw werkhoos want stoken waar gevaorlijk vur brand er wir mèr minimaal gestokt. En we denkte van die kouw kerk, es er nou nie werm genog is, word ur al gemopperd mer vruuger was de denkte van die kouw kerk, es er nou nie werm genog is, word ur al gemopperd mer vruuger was dè mer heel gewoon en niemens heurde dor iets van zeggen. Want de situatie was gewoon zo. En dè dorsen in die kouw skuur, dè waar ok gin pluzierig werk, ge hat miensen die met de vlegel dorsten en ge hatter die op stroom un mesien han dur het perd veur stond en dan mèr rundtjes lopen, ik weet nog dè ik te klein waar um mee in de skuur te helpen, mèr dè pert aon de gang houwen dor waar ik groot zat veur en ik vond ut nog fijn ok um mi ut pert te werken. Mèr de lol waar dur zo af es ge dor un por uure had rond gekuierd en ge liept te blauwbekken van de kouw.

Beste miensen ik heb hier mèr un por dingen op papier gezet en ik ben van plan um dè nog wel uns meer te doen. Over vruuger bijv. Vurjaor, Zommer en dur zen nog zo veul dingen die ge op kunt schrijven nou weet ik ut nog en of dèt dur ooit iets mee gedaon word, dè weet ik dus niej, mer es ge ut nou nie vastgelegd over pak weg 15 jaor weet ut niemand mèr.

december 2001 ik waor toen 62 jaar

Uit geschriften van oud Kèk Liemt-secretaris (wijlen) Frans van den Langenberg die dit voordroeg tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de bestuursleden van Stichting Kèk Liemt tussen Kerst en oud en nieuw 2001. 

Foto: Bezorger Piet van Diessen (*1924 +1996) bij bakkerij Van Eijndhoven hoek Barrierweg/Parkstraat

 

Erfgoedvereniging Kèk Liemt


Keefheuvel 20, 5298 AK Liempde
E-mail: info@kekliemt.nl