Bekijk deze nieuwsbrief in de browser
 
logo

Kèk Efkes - jaargang 7 Nummer 47 - 15 maart 2025

Inhoudsopgave

1. Inhoudsopgave

2. Van de Voorzitter

3. Actueel

4. Contributie

5. Jubileumboek Imkersvereniging

6. Liemt Vurjaor 1953 (deel 1)

7. Een dramatisch ongeval

8. Liempdse grenzen met Sint-Oedenrode

9. Archeokout 43

10. Vervolg Liempdse ansichtkaart uit 1902

11. De Kienehoef

12. 'Strooike' 

13. Kledingsadvies en gezondheidszorg

14. Collenberg in Liempde / Genealogie

15. Liempdse bidprentjes 2

 

 

 

Van de Voorzitter

Boekpresentatie ‘Jonge beloften’ het nieuwste boek van Jasper Mikkers.

De meesten van ons kennen Jasper als schrijver van nostalgische terugblikken uit zijn Liempdse verleden in onze Nieuwsbrief, zijn roman 'De kleine jongen en de rivier' en een zestal gedichten die verpreid door Liempde deel uitmaken van een poëtische route. 


Op 22 maart a.s. verschijnt van zijn hand het boek 'Jonge beloften', het vierde deel van de epische romancyclus ‘Het Wolfsbit’. In Het Wolfsbit komt de Brabantse geschiedenis tot leven. Dit nieuwe boek vormt het kloppend hart van de serie.
Namens Jasper mag ik jullie mededelen dat hij de leden van EVKL die hierin geïnteresseerd zijn van harte uitnodigt om deze presentatie bij te wonen. Het programma is als volgt:
-        Welkomstwoord.
-        Léon Hansen, biograaf en hoogleraar, deelt zijn visie op het boek.
-        Vervolgens gaat auteur Anton Dautzenberg in gesprek met Lèon en Jasper.
-        Optreden gitarist, zanger en liedjessmid Jeroen Kant.
De presentatie vindt plaats op zaterdag 22 maart en is van 15:00 uur tot 16:30 uur. De locatie is Café de Troubadour, Capucijnenstraat 54 in Tilburg. 

Boeremèrt Liempde.

Op 2de Paasdag, 21 april a.s. vindt weer de jaarlijkse Boeremèrt plaats. Ook onze vereniging doet dan weer mee met een kraam. In de kraam verkopen we behalve boeken, nostalgisch speelgoed en diverse gebruiksartikelen vervaardigd uit hout. We zijn nog op zoek naar een paar leden die bereid zijn een dagdeel met ons de kraam te bemensen. Dus als je het leuk vindt de gezellige sfeer van de Liempdse Boeremèrt eens vanuit een kraam te proeven en met allerlei mensen in gesprek te geraken is dit je kans. Meld je dan aan via info@kekliemt.nl of nog beter op onze jaarvergadering op 17 maart a.s. in de Kloosterhof.

Harrie Raaimakers

 

 

Actueel

Komende maandag 17 maart - Algemene Ledenvergadering in De Kloosterhof.

De uitnodiging voor deze vergadering hebt u al enige tijd geleden persoonlijk ontvangen in uw mailbox. Bent u er komende maandag ook bij! De vergadering begint om 19:30 uur, de zaal is open vanaf 19:00 uur. LET OP... de locatie is dienstencentrum De Kloosterhof aan de Dorpsstraat. 

 

Contributie Erfgoedvereniging Kèk Liemt 2025

Beste leden,

Voor dit jaar is de contributie hetzelfde als voorgaande jaren (€ 25,= voor 1 lid en € 37,50 indien 2 leden uit hetzelfde gezin). Graag dit bedrag voor 1 april a.s. overmaken op rekeningnummer

NL 35 RABO 01287 07 852 ten name van de Erfgoedvereniging Kèk Liemt, onder vermelding van 'lidmaatschap 2025' en bij voorkeur uw lidmaatschapsnummer (dat staat op uw lidmaatschapskaart van 2024.)

Namens het bestuur alvast hartelijk dank.

Wilbert Steenbakkers, penningmeester EVKL

 

Jubileumboek: Imkersvereniging De Honingbij Liempde bestaat 90 jaar

Imkersvereniging De Honingbij Liempde bestaat 90 jaren. Daarom zijn de oud-bestuursleden Kees van de Griendt (lid sinds 1979) en Ger van den Oetelaar (lid sinds 1978) gestart om een jubileumboek te maken. Dit met de ruime medewerking van oud-bestuurslid Jan van den Langenberg (lid sinds 1972). Het jubileumboek zal niet zo groot worden zoals het Jubileumboek van Kèk Liemt maar er zijn meer dan voldoende historische gegevens beschikbaar om een erg informatief boek te maken.

Imkersvereniging De Honingbij Liempde is vooral na het 50-jarig bestaan in 1984 een maatschappelijk erg actieve vereniging geworden. Er worden sindsdien onder andere schoollessen, excursies, bijen- en plantenmarkten (25 jaren lang)  en korfvlechtcursussen georganiseerd. Uit de natuurcursussen van de imkersverening in 1983 en 1984 is Natuurwerkgroep Liempde in 1988 ontstaan. 
Voor het jubileumboek zijn er op dit moment al veel (ook oude) foto’s beschikbaar. De beeldbank van Kèk-Liemt heeft mooie foto's geleverd. De verandering in het bijenhouden zal ook vanuit het Liempdse standpunt beschreven worden.
Wanneer mensen nog materiaal hebben dan graag een berichtje aan info@kekliemt.nl 
Hierbij een foto van de bijencursus bij Leonardus Welvaarts, uit het jaar 1940. Een van de oprichters, de toen nog 35-jarige Gradje van de Meerendonk (1903-1975), staat (met stropdas) links van het midden.

 Ger van den Oetelaar

 

Liemt Vurjaor 1953 (deel 1)

Beste miensen. Ik heb geprobeerd um us wè op te schrèven over Liemt in ut Vorjaor. Zo’n ruim 50 jaor gleejen hoe dè de miensen toen leefden hier in Liemt. Ut grootte deel van de miensen waar toen boer of klompenmaker mi un koeike of un paor geiten of un skoop en un vèrken um te slagten en unne hof um dur gruuntes vur eigen gebruik te teulen.

Es ut vurjaor wier zo ongeveer half mert, dan ontsliep Liemt wir wè de boeren betreft, dan kwam ur appurentie. Ze han unne grootte hoop stalmès (stalmest) bè mur kaar gekregen van de lange winter van de koei op stal staon. En dè moes allemaol nor ut laand gebrogt worren. Want in april moest ut laand umgeploegd worren en alles gezeid en gepot worren. De bieten en de erpel en de haver moest gezeid worren en dor moest geheuft worren, ut war alles bè mekaar un groot werk. De mès ut rijèn moes allemaol mi de ertkaar gebeuren; de wegen waren slegt, nergens ginne harde weg, en ès gu dan un nat vurjaor had dan waren de karspooren al gaouw unne modderpoel. En tog waar ut unne mooie drukke tèd.

Ut mès werd in blokken gestikt met de stik, un vurwerp dè niemers haost mir kent, ut waar un groot ijzeren blad un sort skup, die wè taps aonliep, ut werd aon wirskanten op de slepsteen geslepen, dur zaat unne steel aon, mi unne grootte dwerssteel, eigenlijk un grootte kruk, net as van un skup. Dun boer ging mi zunne klomp op ut mès staon en drukte ut mès (mest) en sneej ur grootte blokken in de vurm van un vierkant in ut mès, dan waar dè hendiggur mi de riek op de kaar te laoien. We laoide de kaar goed vol, min of meer unne torren makte we er van. De mèshaok er op en dan reeijde aon.

In ut dèkker waor de neij alleen, plak neffen plak waoren de boeren bezig er wier we gebuurt mi mekaar, over alledaagse dingen mèr mist over ut weer. Ut waar niej onplezierig werken en ès de temperatuur dan we vurjaorseitig waar dan leefde de miens wir hillemaol op nao dieje lange winter. Ut mès wier in hupkes mi de mèshaok van de kaar getrokken, allemaol op un bepaolde afstand van mekaar en in un rij langs over dun ekker, es dan dun ekker vol waar gereijen moest ut mès gebroken worren. Goeit kort maoken jongen zin onze vadder tegen men, dus goed ut elkaar schudden bedoelde hij dor mi. En ès dè gebeurt waar, dan kon ur geploegd worren, ut waar un mooi gezicht ès dor verschillende boeren aon ut ploegen waren. De vooren werden één vur één karsrecht over dun ekker getrokken, ut ploegijzer sneej prachtig dur dun mooie zwarte vruchtbare glanzende grond. Ut perd di zwitte en dun damp trok van zun lijf. Ut perd was ok nog niej veul gewend um te werken, nao diejen lange wintertijd, en de zon kon al ooit lekker we skijnen ut waar un mooi gezicht in ut Hezelerse ekker en in ut Vrilkhovense ekker mèr  gu ziegut niej mir dè mooi handwerk, dè is allemaol weg. Dè kumt nooit mir trug.

Wordt vervolgd.

Uit geschriften van oud Kèk Liemt-secretaris (wijlen) Frans van den Langenberg of wel Frans van Driek van Joane. Opgetekend dit alles op aswoensdag den 25ste februari 2004.

 

Een dramatisch ongeval

Proces Verbaal van een dramatisch ongeval (oorspronkelijke tekst) 

Op den 22ste Junij 1876 werd mij Burgemeester van Liempde kennis gegeven dat een kind van Martinus Appeldoorn, bakker en winkelier alhier in het Kerkeind, genaamd Adrianus oud 17 maanden  om circa 5 ure des namiddags in eene karnemelktobbe was verdronken. Volgens onderzoek heeft het ongeluk aldus plaats gehad. Het kind moet, terwijl de moeder in den winkel was en de naaister Johanna Greven in het voorhuis, dat is raaijen, met zijn stoeltje in de achterkeuken gekomen en daar tegen de tobbe opgeklommen zijn om met het drinkkannetje melk er uit te scheppen, althans het stoeltje stond tegen de tobbe en het kannetje werd er later in gevonden. Terwijl  de moeder achter het huis naar het kind ging zoeken ontdekte de naaister het zelve in de tobbe. Alle middelen dadelijk aangewend om de levensgeesten nog op te wekken bleven vruchteloos. Het kind was overleden. 

En heb ik hiervan dit proces verbaal opgemaakt op heden den 23ste Junij 1876. 

                                                 De Burgemeester van Liempde
                                                 Johannes van de Sande

 Jan van de Sande

 

Liempdse grenzen met Sint-Oedenrode in 1821

Tussen 22 juni 1821 en 3 september 1821 zijn voor Liempde de grenzen beschreven. Hierbij de beschrijving van de grens tussen Liempde en Sint-Oedenrode. (Zoals beschreven in het archief van Bewaarder der Hypotheken en van het Kadaster te Eindhoven, 1832-1990, BHIC, Toegang 535, inv. nr. 11830.)

In een schematische kaart (zie illustratie) zijn de grenzen weergegeven.

-          Beginnende aan een punt ten noorden van de gemeente Liempde op de heide genaamd de Hooge Beek, tegen de zuidkant van de weg genaamd de Boxtelschen dijk, aan een heultje of schoor op genoemde dijk gelegen

-          Hebben wij bevonden dat de grens tussen beide gemeenten gevormd wordt een rechte lijn in zuidelijke richting over genoemde heide lopende, tot tegen de ingang van een steegje, scheidende het land van Johannes van de Ven van een hakhout van Adriaan van der Schoot

-          Van daar rechts om door de sloot tussen de gecultiveerde eigendommen en genoemde heide, tot aan een wegje genaamd Lussendreef, welkers midden zuidwaarts inlopende van daar tot grens dient, tot aan de ontmoeting van het Tuitelaars Heike onder Liempde gelegen

-          Daar vandaan links om door de sloot tussen deze heide en de particuliere erven, tot aan de weg genaamd de Tuitelaarsche Straat (anno 2024: zandweg De Gilders)

-          Het midden van deze straat westwaarts in, dient van daar tot grenslijn, tot aan de ontmoeting van de heerbaan op Sint-Oedenrode, ter plaatse genaamd de Slophoos.

-          Van daar links om, over de heerbaan op Rooy (dus richting Olland) voornoemd, tot aan een slootje scheidende de voorpoting van Andries van Abelen, onder Liempde, van een hakhout onder Sint-Oedenrode

-          Dit slootje dient vervolgens tot grens, tot aan de weg genaamd de Maaijstraat

-          Van hier zuidwaarts door de Maaijstraat, tot aan een kruisweg, ter plaatse genaamd de Maaij

-          Vervolgens westwaarts over een andere weg, mede genaamd de Maaij, tot aan een sloot scheidende een perceel hakhout van de erve Peter van Hombergh, onder Sint-Oedenrode, van een dito van Isaak Hubert, onder Liempde gelegen

-          Van daar links om door deze sloot, tot tegen de weide van de erve Hombergh voornoemd, en verder rechts om, door de sloot tussen genoemde weide en het hakhout van Hubert, tot in de rivier de Dommel.

-          Van daar volgt de grenslijn het midden van voornoemde rivier, tot aan een waterloop genaamd De Egelsgraaf

-          De Egelsgraaf verstrekt van daar tot grens, tot aan een andere waterloop, genaamd Den Hulstloop

-          Van hier door de Hulstloop. Doorsnijdende de Meulkensteeg (nu Meulekensweg), tot aan de hoek van het land van Johannes Swinkels, stuitende aldaar tegen een laan genoemd de dreef door de Haag

-          Welkers westzijde van daar tot grenslijn dient, tot aan een weg genoemd de voetpad door de Haag, makende aldaar een inspringende hoek op Liempde

-          Van deze hoek links om, langs de rechterzijde van de voetpad, tot aan een uitgaande hoek op Liempde

-          Vervolgens rechts om langs de voetpad voormeld, tot aan de hoek van het hakhout van Jan Welvaarts

-          Van daar langs de zuidzijde van een wegje, de noordzijde van laatstgemelde hakhout bepalende, tot tegen het land genaamd de Hooge Zort

-          Vervolgens door de sloot tussen dit land en het hakhout van Kornelis van Haren, tot de lage weiden, genaamd de Lage Zort

-          Hier vandaan links om, door de sloot tussen de Hooge en Lage Zort, makende een uitspringende hoek op het grondgebied van Liempde, tot aan de ontmoeting van het gemeentens broek van Liempde, genaamd het Vleeschbroek

-          Van hier een weinig links en vervolgens weer rechts om, door de sloot tussen dit broek en de gecultiveerde gronden van Sint-Oedenrode, tot aan de weg van Rooy naar Liempde

-          En verder door de sloot langs het land van Johannes Cornelis Bax en dat van Antonie Leendert van de Laar, beide onder Sint-Oedenrode gelegen, tot aan de ontmoeting van het Rooys Broek

-          De sloot tussen het Rooys Broek en de landerijen genaamd de Liempsche Scheeken dient over de verdere lengte tot grens, tot in de zuidwesthoek van genoemd broek, alwaar drie grenspalen liggen, genoemd de Driesteen.

-          Aan dit punt gekomen hebben wij bevonden dat hetzelve tot scheiding diende tussen het grondgebied van de gemeente Liempde ten noorden, Sint-Oedenrode ten oosten en Oirschot en Best ten zuiden.

Ger van den Oetelaar

 

Archeokout 43

Nu overal de hoge dames en heren de oorlogsindustrie oppoken en het door Poetin geholpen militair-industrieel complex hoogtij viert, terwijl wij uit aangeprate angst de rug krommen en in de buidel tasten, gaan we deze keer maar weer es een rondje vechtjasserij vermommen als geschiedenis. Er vloeit bloed, maar sinds de vorige kout weet u al dat het leven van het gemene volk in de Merovingische periode eigenlijk best goed was, beter dan ervoor  en erna: de gouden middeleeuwen! Geschiedenis is meer dan een slag hier en een plundertocht daar ...en meer van die zo langzamerhand bekende gemeenplaatsen.

De Salische Franken  hadden zo goed hun best gedaan voor hun Romeinse baasjes dat ze Brabant kregen met een belofte van verdere militaire tegenprestaties. In 358 nbj werden ze foederati (verbondenen) en ze namen snel de gewoonten en de luxe van de Romeinen over. De uit Duitsland stammende Ripuarische Franken kwamen later, zo rond 388, met grof geweld Galliëbinnen en werden met nog grover geweld door de Romeinen teruggeslagen tot ver over de limes, vooraleer toch maar tot  de lieve vrede werd besloten. Een van de Ripuarische leiders, Marcomer, zag daarbij in dat de vele Frankische stammen (zoals de  Saliers, Chamaven, Bructeren, Chatten, Sugambren, Ampsivaren en zo) beter verenigd konden worden met een  koning aan het hoofd. Volgens de 8e eeuwse Liber Historiae Francorum  zou  Pharamond de zoon van Marcomer de eerste van die koningen zijn geweest. De poging tot Europese eenwording is dus niets nieuws, maar een  invariant door de tijden heen. Echter, die  LHF-geschiedschrijving  wordt heden ten dage met een korreltje salisch zout genomen. De 6e eeuwse bisschop Gregorius van Tours, die bijna twee eeuwen eerder ook de geschiedenis van de Franken beschreef en daar dus ook dichterbij stond, plaatst die eenwording van de Franken 50 jaar later.

De steeds beter assimilerende Franken kregen hoge posten in het leger en breidden hun invloedsfeer uit naar het zuiden juist en vooral door wapen gekletter en door gebruik te maken van de Romeinse bestuurlijke infrastructuur. Al gauw vertoonden ze dezelfde neiging als hun baasjes, de generaals werden belangrijker dan de stamhoofden. De waarde van de leiders werd afgemeten aan hun militaire succes en vertaald naar uiterlijk vertoon van kracht (lange haren, Simson eat your heart out), rijkdom, vrouwen en slemppartijen. Zoals te doen gebruikelijk in onze Europese Yamnaya cultuur van vijf millennia.

Een van die generaals was Chlodio of Clodion (oude vorm van Lodewijk) die met de nodige korrels zout de zoon van Pharamond zou zijn. Hij opereerde vanuit Dispargum (Duisburg of Diest?) en veroverde het gebied tot aan de Somme in de Frankische oorlog (441-446 nbj)  en met name de Artois en de steden Doornik (Tournai) en Kamerijk (Cambrai), die belangrijke Frankische centra werden. Zijn Romeinse tegenstander was Aetius, die onvoorzichtelijkerwijs tijdelijk zijn troepen teruggetrokken had om de Vandalen en de Hunnen te bevechten. 

Dat gestoei met de Hunnen werd door Aetius nog es dunnetjes overgedaan in 451 nbj in de slag op de Catalaunische velden bij Straatsburg, waar de Hunnen en de hunnen op zeer bloedige wijze werden verslagen. In zijn leger van foederati (West-Goten, Bourgondiërs, Alanen en Franken) was een belangrijke rol weggelegd voor de Frankische leider Merovech, naar wie de Merovingische dynastie is genoemd. Merovech zou de zoon van Chlodio zijn, die dus samen met de vijand van zijn vader tegen Atilla streed.

Merovech zou tot 458 nbj koning der Franken zijn geweest en gezeteld hebben in Doornik. Slechts zijn sterfjaar staat vast en ondanks dat wordt hij vooral beschouwd als een mytische figuur. Als je de verhalen rond zijn conceptie leest is dat niet zo vreemd. In de 7e eeuwse kroniek van Fredegar wordt beschreven dat Chlodio met zijn vrouw aan zee was toen een zeemonster opdook en zijn vrouw bezwangerde. Daaruit zou Merovech zijn voortgekomen. Zulks leidde tot twee verdere fabeltjes. De eerste is dat de adel blauw bloed zou hebben als gevolg van deze zeemonster-afkomst. Impliciet daarin is dat blijkbaar alle adel van de Merovingen zou afstammen. Een nog verder gezocht verhaal is dat Merovech een nazaat van Jezus zou zijn. Omdat de vis het vroeg-christelijke teken van Jezus is, zou de zeemonster-afkomst een fabuleuze verwijzing daarnaar zijn. Of verwijst het naar Merovech als de zoon van Zeus via Poseidon? Ach meneer Dan Brown maakte daar graag gebruik van om de Da Vinci Code beter te verkopen.

Er zijn ook andere pogingen gedaan om de Franken een roemrucht verleden te geven. Zo zijn er tot op de huidige dag lieden die beweren dat de Franken eigenlijk de gevluchte Trojanen zijn. Ach in  vechtjasserij, oorlog en de strijd om de gunst der machtigen is het eerste slachtoffer altijd de waarheid, zoals we in het huidige tijdgewricht afdoende kunnen waarnemen.

 

 

VERVOLG Liempdse ansichtkaart uit 1902 (uit de collectie van Jos Noijen)

In de Nieuwsbrief nr. 42 (oktober 2024) zagen jullie de bijzondere ansichtkaart met daarop de oudste afbeelding van de duiventoren. De 18-jarige Wilhelm van de Sande (1884-1917) uit Oirschot logeert in 1902, samen met zijn 20-jarige broer Herman, bij familieleden in Liempde en hij stuurt zijn Oirschotse ouders een ansichtkaart met daarop een foto van kartuizerhoeve Het Groot Duijfhuis. Zijn moeder is Elisabeth Noijen, de zus van Sjef Noijen (*1846 +1932), de eerste voorzitter van de Liempdse boerenbond.

Zijn ouders Franciscus van de Sande en Elisabeth zijn blijkbaar bekend in Liempde want Willem schrijft: 'U zult wel zien wie hij is die hier in het schuitje zit'. Zijn ouders kregen 2 zonen die allebei missionaris zijn geworden en beiden zijn kort na elkaar in Afrika overleden. Ze  zijn maar 30 en 33 jaar oud geworden. Willem (zie afbeelding) werd Witte Pater en overleed op Allerzielen 1917 in Nyanza in Equatoriaal Afrika. Weer met dank aan Jos Noijen uit Houten die het opmerkte en doorgaf. Dit zijn allemaal 'bijvangsten' van het Kasterenboek dat op 1 november 2025 gepresenteerd wordt.

 Ger van den Oetelaar 

 

De Kienehoef

Het waren oudere kinderen die op warme dagen het initiatief namen om naar De Kienehoef in Rooi te rijden. Soms ontstond het plan spontaan, een andere keer was het een dag eerder al gesmeed en had het zich als een lopend vuurtje door de straat verspreid. Op het afgesproken tijdstip stond ieder voor zijn of haar huis, met een fiets die bepakt was met badtas, bal, deken, boterhammen, thermoskan met thee, limonade. Meisjes hadden behalve een badpak ook een badmuts bij zich. Die was verplicht.

We reden over de Roderweg, passeerden de brug over de Grote Waterloop, de boerderij van Dierking aan de linkerkant. De Roderweg ging over in de Broekdijk en Liempdseweg. We sloegen links de Bobbenagelseweg in, reden over de Dommelbrug en langs een dode arm van de Dommel. Kwamen uit op de Ollandseweg waar we rechtsaf gingen. Daarna sloegen we links Kinderbos in, reden tot aan Hoeve Arbeidslust. Daar sloegen we rechtsaf en kwamen uiteindelijk aan bij fietsenstalling van zwembad De Kienehoef, tussen de bomen van een bos.  

Die fietstochten waren levendig. Er werd veel gelachen, geschreeuwd, verteld. De kleine jochies waren opgewonden omdat ze het geweldig vonden met de grote jongens mee te fietsen. Ze wilden bewijzen dat ze niet helemaal niks voorstelden. In Kinderbos, de Beukenlaan die naar de Hoeve Arbeidslust leidde, reden we over een smal zandpad langs rijen beuken met een gladde stam. In de schaduw vlogen witte kwikstaarten, soms gele. Ze landden met een zwaai op het losse zand en wipten nerveus met hun staarten. Joegen op insecten. We herkenden ze. Hartje winter zaten ze thuis in de kerstboom, waren van zilverig glas. IJdele, nuffige vogels. Op het droge zand hipten ook vinken. Ze bewogen vooruit met rukjes van hun kop, alsof ze aan een zenuwtic leden. Als we dichterbij kwamen, schoten ze omhoog. De witte streep in hun vleugels flitste in een zonneschacht.

Bij de ingang van het zwembad werden de meisjes van de jongens gescheiden. Meisjes links, jongens rechts. Snel de hokjes in en omkleden. De tegels brandden onder onze voeten. Het losse zand was ook heet. We zochten een plek. Keken of er bekenden waren.

Dwars door het midden van de drie baden -kinderbad, halfdiep en diep bad- liep van voor naar achter een afrastering van gaas. Alleen jonge jongetjes mochten mee naar de meisjeskant. Wie met een meisje wilde praten, moest aan het gaas gaan staan of roepen. Er zaten gaten in het gaas, onder water. Daar kon je doorheen zwemmen, maar dat mocht niet.

Grote jongens en volwassenen gebruikten de duikplanken. Een enkeling maar bezat de vaardigheid hoog te springen aan het eind van de hoge duikplank en met een salto in het bruisende water te verdwijnen. De jongetjes sloegen deze kunststukken met bewondering gade. Daar ging hij, vouwde zijn hoofd naar zijn knieën, strekte zich weer uit, dit alles in de lucht, boorde zich kaarsrecht op zijn kop in het splijtende vlies van het oppervlak. De kleinen kwamen niet verder dan met een aanloop van de plank springen. Dikwijls hielden ze in en aarzelden. Durfden niet. Ze liepen heen en terug over de plank. Er werd geschreeuwd dat ze moesten opschieten. Ze keerden om en klommen terug naar beneden, zich schamend. Aan de andere kant van het gaas knepen meisjes hun neus dicht en god zegene de greep, daar sprongen ze gillend naar beneden.

Niemand van ons had zwemles gehad. Sommigen leerden zich de zwemslagen zelf aan. Schoolslag, rugslag, crawl. Ik ontwikkelde een eigen slag. Ik lag daarbij op mijn zij in het water, crawlde met de vrije arm en ging met mijn benen op en neer. Dit alles in een vaste cadans. Iemand vertelde me dat dat de visserslag was. Die werd gebruikt door vissers op zee. Je kon ermee tegen golven op zwemmen. Later vogelde ik uit dat die slag niet de visserslag maar de nothern kick heette. Ik kwam nooit iemand tegen die op dezelfde manier zwom.

De meeste jongetjes van mijn leeftijd brachten de tijd door in het tweede bad. De diepte van dat bad ging van tachtig centimeter tot één meter tachtig. Het was gescheiden van ‘het diepe’, het derde bad, door een betonnen pad van een meter breed en lag twintig centimeter boven het water. Vlakbij stond een bank en daarop nam de badjuffrouw regelmatig plaats. Vandaaruit had ze een goed zicht over de baden. Ze was gezet, niet groot, liep tegen de zestig. Had een snor. Haar humeur was niet geweldig meestal, ze zag weinig door de vingers. Daar klonk het hoge geluid van haar fluitje. Ze maakte driftige gebaren. Schreeuwde. ‘Weg daar bij dat gaas.’ Dat was het gaas dat de jongens van de meisjes scheidde. Ze droeg een witte schort over haar blouse en rok en liep op sandalen. Soms staken haar voeten in dikke witte sokken en gymschoenen.

Haar vaste stek was een houten bank vlak bij het betonnen pad dat het halfdiepe van het diepe scheidde. Veel jongetjes poelieden vlak bij haar in het water en keken zo onopvallend mogelijk omhoog. Ze legden onvermoeibaar pogingen aan de dag om onder haar schort en rok te kijken, tot tegen haar onderbroek. Als dat een jongen gelukt was, crawlde hij op die onbeholpen manier van amper kunnen zwemmen naar enkele anderen en fluisterde: ‘Ik heb het gezien. Bruin.’ Of: ‘Salmiak.’ Met bruin bedoelde hij de kleur van het schaamhaar van de badjuffrouw dat aan weerszijden achter haar onderbroek uit kierde. De badjuf lag dan ontspannen tegen de bankleuning, de benen uit elkaar. Sloeg ze na verloop van tijd haar benen over elkaar, zag je de jongetjes met een mistroostig gezicht langzaam weg zwemmen van de plek. Ze verspreidden zich als jonge voorntjes die opgeschrikt door het silhouet van een reiger dieper water opzochten.

Ik denk niet dat er veel jongetjes waren die door deze badjuffrouw gered wilden worden als ze in de problemen raakten.    

Aan het eind van de dag werd het water rustig. Dikwijls bleven we tot het laatst. Het geschreeuw en gejoel waren verstomd, het water werd van zilver in het licht van de dalende zon, het gras begon te geuren, ook de dennen in de bosjes achter ons.  

Op een dag in de lente reden mijn zussen en ik onder begeleiding van Juul van Mensvoort naar het zwembad. Het gaas dat de jongens van de meisjes scheidde, bleek verdwenen. Welk jaar was dat? We noemden Juul van Mensvoort juffrouw Juul omdat ze kleuterleidster was. De studie die zij had gedaan om dat te worden, hadden wij helemaal mee- en doorgemaakt. Ze was met mijn ouders bevriend en kwam regelmatig oppassen. Dan had ze gelegenheid te studeren, want thuis op de boerderij lukte dat niet. Daar moest ze werken. Als ze examen moest doen, zaten wij, de kinderen, een week lang elke avond op onze knieën en in pyjama voor het Heilig-Hartbeeld in de ‘salon’ en terwijl we naar het eeuwig brandend godslampje voor het beeld opkeken, baden we vijf of tien weesgegroetjes en vroegen onze Lieve Heer haar te laten slagen. Ik was behoorlijk teleurgesteld toen de Lieve Heer het de eerste keer liet afweten. Wij vierden elk jaar haar verjaardag op de boerderij, een middag lang, en speelde een spel. Er werden snoepjes in een bak met water gegooid en die moesten we terwijl we ons hoofd in het water staken, met de mond zoeken en tussen onze lippen beetpakken. Ondertussen poepte de kat in de plantenpot met Christusdoorn.

Het gaas was weggehaald. En daar, in het diepe gedeelte van het halfdiepe, verloor juffrouw Juul de top van haar bikini. Het minieme kledingstuk dreef op het water. Ik zag het en maakte er haar op attent. ‘Pak het maar. Wil je het me omknopen?’ We liepen naar waar ik kon staan en terwijl ze het topje tegen haar borsten drukte, nou ja, borstjes, knoopte ik het op haar rug vast. Daarna zwommen we terug naar waar het dieper was. Het leek even dat ik haar vriend was. Haar verloofde.

Een uur later moest ik opnieuw in actie komen.

We gingen ook wel eens met het hele gezin naar De Kienehoef. Er was een grote roeivijver en we huurden een roeiboot. Daar vonden we niet veel aan. Behalve anderen natspatten met de riemen en ruziemaken over wie mocht roeien gebeurde er weinig. We droegen onze zondagse kleren en die mochten niet vuil worden. De verveling sloeg snel toe.

Als het zwemmen erop zat en we naar de fietsenstalling liepen wandelde ik altijd even over het vlonderpad langs de vijver. Op een zondag had ik daar tussen de vastgelegde roeiboten een paling uit de donkere ondergrond van het water omhoog zien zwemmen. Zodra hij de oppervlakte bereikte, liet hij zich zakken en verdween. Palingen waren wonderlijke, geheimzinnige dieren en de mysterieuze wereld onder water biologeerde me. Van alle dieren boeiden vogels, vissen en marterachtigen me het meest.

Het leven van de kinderen in Liempde zou heel wat schraler zijn geweest als het zwembad van De Kienehoef niet had bestaan. We fietsten erheen, ook al was de afstand aanzienlijk en de weg onverhard. Maar op een dag liep ik met andere kinderen achter de Liempdse fanfare aan tot aan de gemeentegrens Liempde-Sint Oedenrode. Burgemeester Laurijssens en de burgemeester van Rooi knipten samen een lint door dat over de weg gespannen was. En daar klonken opnieuw de trompetten en hoorns, bombardon en grote trom. De gloednieuwe klinkerweg werd officieel in gebruik genomen.

Het zwembad De Kienehoef in Sint Oedenrode bestaat niet meer. Het is een park nu. Het houten theehuis is gebleven.

Toen ik lang na mijn kindertijd een bezoek bracht aan De Kienehoef en de plek probeerde te reconstrueren waar ik jarenlang zulke mooie dagen doorbracht en de northern kick had weten te perfectioneren, overviel weemoed me. Waren er nog plekken waar kinderen even zorgeloos konden spartelen in het water als wij toen? Wat een geluk dat het zwembad De Kienehoef bestond. Geen zwemparadijs van later, met glijbanen en al, kon daartegen op.

Misschien heb ik aan De Kienehoef de liefde voor water overgehouden, voor rivieren en zeeën, havensteden en kusten, het zwemmen in vennen, afgravingen en meren. Daar ben ik nog altijd niet van genezen.

Jasper Mikkers

Op de foto in het midden juffrouw Juul (van Mensvoort), met badmuts, met zittend om haar heen de vier kinderen, zus Wilma, ikzelf, broer Albert, zus Ans. Het meisje naast Juul is misschien Rien Schalkx (zus van Gerard Schalkx). Overige kinderen onbekend.

 

'Strooike' markeerde tot midden jaren 60 Liempds sterfhuis

Uitvoering en formaat strobossen verschilde van plaats tot plaats.

Als correspondent van het Brabants Dagblad in de jaren 90 van de vorige eeuw schreef ik met enige regelmaat korte verhalen in de rubriek 'Stille getuigen.' Deze rubriek die wekelijks de Meierij-editie van de krant sierde begon steevast met de uitleg van wat de essentie van 'Stille getuigen' was namelijk Onderwerpen uitdiepen die vragen oproepen in de trant van 'Wie was dat ook al weer'? of 'Hoe zat dat in elkaar'? Aan de vooravond van Allerzielen schreef ik onderstaand artikel in de wekelijkse rubriek van de krant. 

Het initiatief van de Liempdse parochie Sint Jans Onthoofding om morgen tijdens de viering van Allerzielen nabestaanden van overleden parochianen uit het afgelopen jaar bij de herdenkingsdienst te betrekken, grijpt terug naar de periode dat met name de begeleiding rond het heengaan een intensieve burenplicht was.

Sterfhuis

Kwam een zieke vroeger te overlijden dan veranderde het voorhuis in een sterfhuis. De vensters werden aangezet en bleven dicht tot na de begrafenis. De spiegel in d'n herd werd omgedraaid en de klok stilgezet. D'n herd mocht niet 'gezand' worden en bladeren, die van de bomen op de misse vielen werden niet met de hark opgeschaard. Ook kwam er een 'strooike' voor het sterfhuis. 't Strooike stond een eindje van de stoep van de voordeur af. Voor het mansvolk rechts en voor het vrouwvolk links van de deur.

Dit gebruik gaat terug op een bepaling van de Bossche magistraat van 16 september 1661 waarin werd bepaald dat voor alle sterfhuizen, zolang het lijk boven aarde stond, een bos stro gelegd moest worden met stenen daarop. Deze stenen dienden praktisch om het wegwaaien van de stobossen tegen te gaan. Voor jonge mensen diende men drie en voor volwassenen vijf 'rauwe' stenen te plaatsen. De strobossen moesten niet door de buurt, maar door de nabestaanden zelf geplaatst te worden. De buurt was er voor het aanzeggen van de rozenkrans die drie avonden op een rij in het sterfhuis bij de overledene werd gebeden. En als de familie er prijs op stelde werd er door de buurt bij de overledene, die thuis in de 'goei kamer' stond opgebaard, gewaakt tot de dag van de uitvaart.

Veranderingen

Rond 1775 meldt de Bossche bestuurder Van Heurn dat in zijn tijd de 'strooyen' sierlijker uitgevoerd waren dan in de begintijd. Het strooike bestond toen inmiddels uit een busselke stro en de stenen waren vervangen door plankjes, die overigens nog wel stenen werden genoemd. Voor gehuwden werden strobossen gebruikt met vijf touwtjes en riemen, voor vrijgezellen werden drie riemen en plankjes gebruikt. Het formaat van de stobossen varieerde naar gelang de leeftijd van de overledene. Het gebruik om een stooike te plaatsen was, met name in Oost-Brabant, in vele plaatsen gangbaar. De uitvoering van het strooike verschilde nog wel eens van plaats tot plaats.

Symboliek

Zo kende Liempde tot midden jaren 60 een zwart geverfde houten schraagske, waarin een bos stro werd gelegd, omwonden met vier zwarte linnen banden. Tegen het stobundeltje werden aan de voorkant drie en aan de achterkant twee zwarte plankskes met een witte bies geplaatst. Bij ongetrouwden stopte men tussen het stro ook weer twee palmtakjes. Voor kinderen bleef het bij drie stenen, waartussen twee groene palmtakjes met papieren slingetjes prijkten. De symboliek van het stooike was hierin gelegen dat het, naast een toegeschreven afwerende kracht, ook model stond voor het natuurlijk afsterven. Stro was bovendien op het platteland ruim voorhanden en uitermate geschikt om lijkvocht op te nemen. Na bewezen diensten was het tevens gemakkelijk te verbranden.

De praktische en symbolische betekenis van het stro verklaart voorts waarom dit materiaal in de vorm van het ritueel van het strooike in deze streek het teken bij uitstek werd van de dood.

Arnold van den Broek, secretaris EVKL

 

Kledingadvies en gezondheidszorg landlieden

Departementale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzicht 1808

(Gestuurd aan de gemeentebesturen om te publiceren)

Kort onderrigt, hoe zich vooral de Landlieden en alle die in de opene lucht werken, voor den nadeeligen invloed der groote Zomerhitte en brandende Zonnestralen moeten in acht nemen, om gevaarlijke toevallen en hevige ziekten, onder Gods zegen, voortekomen en in goeden staat van gezondheid te blijven.

Dewijl een groote en aanhoudende Zomerhitte, in ons Vaderland , alroos veel zwaarder en ziekten voortbrengt en verspreidt, dan ooit de strengste Winterkoude doet, schoon het gemeen over die  bijzondere koude doorgaans veel meer klaagt: zoo moet men in den heeten tijd de volgende raadgevingen wel ter harte nemen.

Art. I. In den heetste dagen zal men allen zwaren arbeid en Ligchaams bewegingen die het zweet uitdrijven, in de openen brandende Zonne, zoo veel het zijn kan, vermijden, voor al moet men dus niet bloothoofds werken, maar altijd het hoofd luchtig gedekt houden met een hoedje van stro of andere ligte stoffe; ook moet men dan van tijd tot tijd wat van den arbeid zich verpozen de schaduw zoeken, en op het heetste van den dag tusschen 12 en 13 uren geheel rusten en onder dak blijven.

Art. II. Vervallen

Art. III. Men wachte zich voor te dunne kleeding, want dan brandt de Zon zoo veel heviger op het ligchaam; niet min wachte men zich voor ontblooting, vooral, zal men, om dus te bekoelen, bij het uitrusten, zich nooit aan den togt van wind bloot stellen, want die koele togt, hoe aangenaam en verkwikkend ook, brengt dikwijls doodelijke gevolgen voort. Het gaan vertoeven in een koele en vochtige kelder, als men zeer warm is, kan dezelfde erge gevolgen hebben. Eindelijk moet men, vooral na dat men des daags of nachts gezweet heeft, nooit in de koele avond- of ochtendlucht stil gaan zitten rusten, want ook zulk eene bekoeling is gevaarlijk  in hare gevolgen.

Art. IV. Matig drinken, in eene warmte waarin men zoo veele vogten verzweet, is zekerlijk noodig; maar, gelijk het aanhoudende inzwelgen van eene groote veelheid Thee, Koffij of warme Waterdranken  het ligchaam verzwakt en nog meer doet zweten, zoo is het schielijk te lijve slaan van veel koud Water, Karnemelk of Bier, terwijl het ligchaam heet en bezweet is, allernadeeligst ja somtijds schielijk doodelijk. Men spoele dan vrij met koud Water zijn mond, keel, en neusholte, wasche ook daar mede zijn aangezigt, want daarbij zal men zijne dorst en droogte aanmerkelijk gematigd vinden. Versch goed Bier, matig en langzaam gedronken, is dan ook nuttig, en voor meer vermogenden nu en dan een glas goeden Wijn; maar koude Karnemelk kan het meeste nadeel doen van allen.

Art. V. Is men door het werken door Regen overvallen en nat geworden, dan moet men, t’huis komende, vooral de natte klederen niet aan zijn ligchaam  laten koud worden, maar aanstonds afleggen, drooge kleren nemen, en, indien men koud geworden is , zich verwarmen, door beweging te maken, of voor een Vuur te zitten, nemende daarbij wat warm drinken, en voorts tijdig te bed gaande , om de uitwaasseming te herstellen. Deze laatste raadgeving kan ook te pas komen na het onvoorzigtig vatten van koude of togt, waar tegen in Artikel III gewaarschuwd is.

Art. VI. Behalve zulke noodige voorzorgen tegen de gevaarlijke gevolgen van groote hitte en haastige bekoeling des ligchaams. Is het niet minder noodzakelijk (dewijl morsigheid en onreinheid ook zeer zekere bronnen zijn van bederfelijke Ziekten en Besmettingen) om te zorgen vooreerst voor reinheid van ligchaam, door vlijtig waschen van handen, beenen, aangezigt, ja ook door baden in zuiver niet al te koud Water en zich daarna wel afdrogen, voorts door tijdige verschooning met droog Linnen en Klederen, dragende bij dit alles zorg tegen het vatten van koude togt.

Art. VII. Vervolgens moet het Bed of Stro waar op, en het Dek waar onder men slaapt, wel zuiver onderhouden, dagelijks afgehaald , wel gelucht, ververscht en droog gehouden worden. De Bed- of slaapsteden niet alleen, maar ook  het geheel Woonvertrek met al wat daarin is, moet men dagelijks, wanneer het werkvolk uit is, wel doorluchten, schoonhouden, de Vloer en Wanden, zoo veel noodig afwaschen of schrobben, doch daarbij zorgen, dat het natgemaakte spoedig weer droog gemaakt worde.

Art. VIII. Verder moet de zorg voor Reinheid zich uitstrekken, tot alles wat in en om de Huize is, en dus ook tot Goten, Wegen, Vuilnis, en Mesthopen, Secreten en al wat rottigen kwaden damp kan verspreiden, om dezelve zoo veel doenlijk door te spoelen, schoon te houden, van Woningen te verwijderen, met aarde of iets anders te bedekken, te begraven, en vooral de Lijken haastig te kisten en ter aarde te doen bestellen.

Art. IX. Behalve zulk van buiten aankomende bederf, moet men niet min op zijne hoede zijn, tegen een nog schromelijker bederf der Lucht, door de uitwaasseming en adem der Menschen, die in kleine of digtgeslotene vertrekken soms ook met vuurkolen, bijeen zitten of rusten. Men kieze dan voor zulke bijeenkomsten of rustplaatsen het ruimst Vertrek, luchte het vooraf en achter na, sluite de zuivere buitenlucht niet uit, legge geen Mensch te slapen in eene met deuren of gordijnen dichtgeslotene Bedstede, waar in de dus opgeslotene lucht allerverderfelijkst zoude worden; vooral doe men dit niet , indien er meer dan een Mensch zamen moet liggen.

Art. X. Bij dit alles moeten de Werklieden hunne krachten herstellen en onderhouden door goed Voedsel, matig en tijdig genomen, Hier bij moeten zij zich wachten voor gulzig inslokken en overladen der magen, vooral met vette en zware Spijzen, die in de hitte niet zo wel verteren, ligt tot bederf overgaan. Goed voedsel zijn de gebruikelijke Graan- Spijzen, goed Brood, Wortelen, Aardappelen, Boomvruchten en Groenten, met Vleesch, doch dat niet enigzins bedorven of te oud moet zijn. Visch is meer bederfelijk vooral die niet versch maar gezouten, gedroogd of gerookt, en veeltijds niet wel bewaard is.

Art. XI. Eindelijk moet men zijn slaap, in zulke tijden niet veel bekorten maar behoorlijk uitrusten, om tot nieuwen arbeid in goeden staat te zijn, ook, indien men wat koude gevat had, om de uitwaasseming te herstellen, zie Art. V. En dit was het hoofdzakelijke, dat ons ter voorbehoeding in de Zomerhitte, bijzonderlijk  voor de Landlieden, meest noodige uitvoerbaar is voorgekomen.

Art. XII. Wordt intusschen de een of ander door aanmerkelijke Ziekte, koorts, pijnen of andere ongesteldheid aangedaan, de zulken moeten het huis houden, rust nemen of te bed gaan, voor den dorst warm drinken gebruiken, spoedig de hulp van een wettigen Genees- of Heelmeester inroepen en diens raad getrouwelijk volgen. Die zieken moeten dan ook behoorlijk opgepast, bediend van verschooning en het verder noodige verzorgd worden. Terwijl het armen of onvermogenden aan weldadige voorziening in de noodige behoeften niet zal ontbreken.

Art. XIII. Maar indien eene invallende ziekte van dien aard mogt blijken te zijn, dat zij niet alleen aan velen gemeen is. Maar ook, van den eenen tot den anderen schijnt over te slaan, dan moet daarvan, om epidemie of volkziekte voor te komen, door den Genees- of Heelmeester dadelijk aan het bestuur naauwkeurig bericht worden gegeven, op dat er van Landswege tijdiglijk de noodige voorziening hier in genomen kunne worden. Intusschen is in deze gevallen de voorzorg van reinigen, verschoonen en luchten, in Art VI – X aanbevolen, voor alles noodzakelijk. Hiermede toch kan veeltijds alle besmetting voorgekomen worden, zoo dat ook zindelijke behoedzame en verstandige Oppassers de Zieken daarvan geen gevaar loopen.

Art XIV. Is echter deze voorzorg niet naar wensch uitvoerbaar of niet voldoende, en wordt men ook door een onaangename walgelijke lucht bij den Zieken beducht gemaakt voor besmettelijkheid, dan moeten zonder uitstel de krachtigste middelen hier tegen te werk gesteld worden. Men moet zich toch, tot het verdrijven of verdelgen van smetlucht, geenszins verlaten op het branden van Wierook, Jeneverbessen of dergelijke rookerijen, die wel de kwade lucht veranderen maar de smetstoffen niet kunnen verdrijven noch ’t onder brengen kunnen. Beter dient hiertoe het sprenkelen en de damp van sterken Azijn, onder de onzen sedert lange in gebruik, gelijk ook de rookdamp van een gloeijende kole brandende Salpeter, of ook van aangestoken Buskruid daar voor wel gebruikt wordt, maar dat wij niet aanbevelen.

Art. XV. Doch de beter zuiverende mineraal Zure dampen door Vitriool Olie losgemaakt uit Salpeter of gemeen zout en Bruinsteen, zijn in de latere tijden, tot het weren en vernielen der Smet Lucht, boven alles werkzaam en zeker bevonden, de eerste door den Engelschen Dr Smyth, en laatste door den Franschen Guyton Motveau; gelijk ook deze heilzame werking in ons vaderland genoegzaam is bevestigd. Ons schijnt, nog de voorkeur toe te komen aan de damping met verzuurd Zoutzuur volgens Guyton, waarvan thans de kracht, ter wegneming of vernietiging van alle besmettelijkheid der meest aanstekende zware Koortsen en Ziekten, door sterke proeven genoegzaam is gebleken, gelijk die dampingen dan ook, en nu laatstelijk in sommige Zenuw-rot-koortsen (Typhi nerveso-putride) te Spakenburg en Kortenhoeve, in ons Gewest, met vrucht zijn aangewend. Deeze zure Dampingen dan stelle men, in allen gevallen van gevreesde besmettelijkheid der ziekte, aanstonds te werk; zij zijn gemakkelijk uit te voeren, niet onaangenaam niet hinderlijk, niet kostbaar, derzelver ingrediënten zullen vooral ligt te bekomen zijn, ook voor de Armen om niet, tessens met een berigt van het gebruik, waar mede wij deze onze raadgevingen nu zullen besluiten.

Jan van de Sande

 

Collenberg in Liempde / Genealogie

De oudere naam voor het gebied Koestraat in Liempde was Collenberg/Kollenberg. Het is zoals bijvoorbeeld ook (van den) Biggelaar een van de oudste toponiemen en familienamen van Liempde. De eerste naamdrager is Heyla van Collenberg in 1320 die ook op de Collenberg in Liempde woont (zie illustratie, cijnsregister Helmond). De beroemdste is wellicht Peter Mertensone van Collenberghe (1576-1664) ook in Oirschot bekend als Peter Martens van Lyemde. Hij is in de eerste helft van 17e eeuw bijna 50 jaren pachter van Heerenbeek (eigenaar de Leuvense Abdij van Park.)

Op 11 februari 2025 gaf ik een lezing in Best over Velder-Heerenbeek en noemde daarbij de betreffende pachter. Een van de toehoorders gaf aan een boek te hebben over deze familie namelijk: 'Familieboek van Herman van Kollenburg en Anna Catharina van Rijn. Wat eraan vooraf ging en wat er na kwam' (1987). Het boek bevat veel Liempdse informatie. Op 6 maart bracht hij het boek (187 pag.) naar Kasteren. Van het boek wordt een kopie gemaakt wat straks in de Kèk-Liemt-bibliotheek op de Erfgoedkamer te vinden is.

Ger van den Oetelaar

 

Liempdse Bidprentjes 2

Via de bidprentjesverzameling zijn veel gegevens te verkrijgen. Wat zijn bijvoorbeeld de meest voorkomende namen in Liempde?

Van der Velden:                   138
Van de Laar:                       137
Van Abeelen:                        77
Van de Sande:                      73
Van den Biggelaar:               67
Smulders:                           65
Van Aarle:                           57
Van Mensvoort:                    53
Welvaarts                            50

 

Met welke gemeenten/kernen zijn de meeste relaties (4586 bidprentjes)?

Boxtel                                   1109
Sint-Oedenrode                       262
Oirschot                                 190
Schijndel:                              123
Gemonde:                                72
Sint-Michielsgestel                    65
Oisterwijk                                23
Amsterdam                               3

Het bijgesloten bidprentje is van Johanna Oerlemans (1871-1940) getrouwd met Arnoldus van de Wiel.

Ger van den Oetelaar

 

Erfgoedvereniging Kèk Liemt


Keefheuvel 20, 5298 AK Liempde
E-mail: info@kekliemt.nl